Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/8.4.5
8.4.5 Historische ontwikkeling
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS387136:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie m.b.t. de internationale forumkeuze HR 26 april 1918, NJ 1918, 587 (Jenatzky Leleux/Van Vliet); m.b.t. de arbitrage HR 6 november 1925, NJ 1925,1293, m.nt. T. (Vink/Coöperatieve Vereeniging). Het beroep op de overeenkomst werd niet gezien als exceptie maar als een verweer ten principale aangezien 'de eigen bepalingen der door partijen gesloten overeenkomst aan toewijzing der vordering (...) in den weg stonden'. Zie HR 26 april 1918, NJ 1918, 587 (Jenatzky Leleux/Van Vliet), p. 589.
Voor de overeenkomst tot internationale forumkeuze is dit voor het eerst uitgemaakt in HR 28 oktober 1988, NJ 1989, 765, m.nt. JCS (Harvest Trader). Voorts blijkt dit tegenwoordig uit art. 23 EEX-Vo en art. 8 lid 2 Rv. Voor de overeenkomst tot arbitrage blijkt dit uit art. 1022 lid 1 en art. 1074 lid 1 Rv.
Ter onderbouwing van het standpunt, dat uit procesovereenkomsten verbintenissen voor partijen voortvloeien, valt een historisch argument aan te voeren. In paragraaf 4.2 is gebleken dat men zowel in Engeland, Duitsland als in Nederland de figuur van een overeenkomst met obligatoire werking heeft gebruikt om tot de erkenning van procesovereenkomsten te komen. Overeenkomsten waarbij werd afgeweken van de regels van procesrecht werden vaak niet toelaatbaar geacht op grond van het 'open-bareordekarakter van het burgerlijk procesrecht. Om deze reden construeerde men procesovereenkomsten dan als overeenkomsten die enkel verbintenissen voor partijen ten opzichte van elkaar in het leven riepen. Daarbij werd oorspronkelijk vaak een strikt onderscheid gemaakt tussen processuele gevolgen aan de ene kant en verbintenissen van partijen aan de andere kant. Op een gegeven moment begon dit verschil te vervagen en kreeg de overeenkomst een steeds sterkere werking in de procedure waarop zij betrekking had.
In paragraaf 4.2.4 is gebleken dat een dergelijke ontwikkeling zich in Nederland heeft voorgedaan met betrekking tot de overeenkomst tot internationale forumkeuze en tot arbitrage. Aangenomen werd vroeger dat partijen door middel van een overeenkomst geen rechtsmacht aan de Nederlandse overheidsrechter konden ontnemen. Toch werden de overeenkomsten tot forumkeuze en tot arbitrage om deze reden niet ongeldig geacht: aangenomen werd namelijk dat zij enkel de verplichting voor partijen in het leven riepen om slechts voor het aangewezen forum te procederen. Indien de eiser in strijd met deze verplichting toch een procedure voor de Nederlandse overheidsrechter begon, dwong de rechter nakoming van de overeenkomst af door de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.1 Op deze manier hadden de overeenkomsten kortom toch de gewenste werking. Tegenwoordig wordt erkend dat door dergelijke overeenkomsten wordt afgeweken van het procesrecht: zij leiden tot onbevoegdheid van de Nederlandse rechter.2
Van oorsprong hebben deze procesovereenkomsten dus wel degelijk een obligatoire werking. Dit biedt steun aan het standpunt dat dergelijke overeenkomsten ook nu nog verbintenissen voor partijen meebrengen. Dat tegenwoordig wordt geaccepteerd dat door deze procesovereenkomsten wordt afgeweken van het procesrecht, hoeft immers niet te betekenen dat deze obligatoire werking verloren is gegaan.