Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.1
7.1 Het Stabiliteits- en Groeipact
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS451674:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 109E, eerste lid, EG-verdrag. Dat de tweede fase op 1 januari 1994 in zou gaan, ondanks de onstuimige periode die hieraan voorafging, werd bevestigd op de top van de Europese Raad in Brussel op 10 en 11 december 1993, zie p. 22 van de conclusies.
Artikel 109J, derde lid, EG-verdrag.
Artikel 109J, vierde lid, EG-verdrag.
Conclusies van de Europese Raad van 15 en 16 december 1995, deel A, onder ‘Inleiding’.
Van Riel & Metten 2000, p. 94-97.
Van Riel & Metten 2000, p. 95. Zie over de financiële gevolgen van de Duitse eenwording ook: Welfens 1993.
Zie uitgebreid over dit voorstel en de ontwikkeling ervan tot het Stabiliteits- en Groeipact: Stark 2001, p. 83-104; Costello 2001, p. 106-132. Zie voor een politicologische benadering van het ontstaan van het Stabiliteits- en Groeipact: Heipertz & Verdun 2010. Zie ook: Geelhoed 2003, p. 44; Segers & Van Esch 2007, p. 1101-1105.
Van Riel & Metten 2000, p. 109.
Conclusies van de Europese Raad van 15 en 16 december 1995, deel A, sub A, onder II, en deel B, bijlage 1, sub 3.
Conclusies van de Europese Raad van 21 en 22 juni 1996, sub II.
Conclusies van de Europese Raad van 13 en 14 december 1994, sub II, onder 1.
Conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 juni 1997, onder ‘Economische en Monetaire Unie’.
Zie bijlage 1 bij de conclusies van de Europese Raad van 16 en 17 juni 1997.
Verordening (EG) nr. 1466/97 (PbEG 1997, L 209/1) van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid; Verordening (EG) nr. 1467/97 (PbEG 1997, L 209/6) van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten; Resolutie van de Europese Raad (PbEG 1997, C 236/1) van 17 juni 1997 betreffende het Stabiliteits- en Groeipact. Het Stabiliteits- en Groeipact is nader uitgewerkt in een zogeheten Code of Conduct.
Na de stroef verlopen ratificatieperiode en de daaropvolgende valutacrisis, die in het vorige hoofdstuk zijn besproken, trad het Verdrag van Maastricht in werking op 1 november 1993. Zoals hierin afgesproken, begon de tweede fase van de EMU op 1 januari 1994.1 Enkele jaren later diende ook een besluit te worden genomen over de start van de derde fase. Op grond van het Verdrag van Maastricht moest de Europese Raad immers uiterlijk 31 december 1996 besluiten of een meerderheid van de lidstaten aan de voorwaarden voor de aanneming van één munt voldeed en of het passend was dat gestart zou worden met de derde fase van de EMU.2 Indien dat het geval was, diende de Europese Raad ook een datum voor het ingaan van de derde fase vast te stellen. Als eind 1997 nog geen datum zou zijn vastgesteld, zou de derde fase beginnen op 1 januari 1999.3
Uit de conclusies van de top van 15 en 16 december 1995 in Madrid blijkt dat de Europese Raad een vroege start van de laatste fase van de EMU niet mogelijk achtte.4 De Europese Raad benadrukte hierin de start op 1 januari 1999. De reden hiervoor moet, afgezien van de in het vorige hoofdstuk beschreven ratificatieperikelen, vooral gezocht worden in de overheidsfinancien van Duitsland en Frankrijk.5 Hoewel het tijdens de onderhandelingen over het Verdrag van Maastricht juist voor die landen de verwachting was dat zij zonder al te veel moeite aan de convergentiecriteria zouden voldoen, bleek dit beeld enige jaren later toch flink bijgesteld. Zowel het overheidstekort als de overheidsschuld liep in beide landen op, hetgeen in Duitsland vooral een gevolg was van de kosten van eenwording van Oost- en West-Duitsland.6 Het ingaan van de derde fase voor 1 januari 1999 bleek hierdoor niet haalbaar.
Het gevolg daarvan was dat landen met minder gunstige overheidsfinanciën langer de tijd kregen om aan de convergentiecriteria te voldoen. Op die manier zouden alle EU-landen tegelijk met de EMU kunnen starten. Ondanks de afspraken uit het Verdrag van Maastricht, verzetten Nederland en Duitsland zich hiertegen. Met name een mogelijke deelname van Italië, dat zowel een hoge schuld als een groot tekort had, leidde in Duitsland in september 1995 tot het voorstel van de minister van Financiën Waigel om strengere begrotingsafspraken te maken.7 Men was bang dat Duitsland een sterke nationale munt zou inleveren om daar een gemeenschappelijke munt voor terug te krijgen, die door toedoen van andere landen aan kracht zou inboeten. De Bundesbank had al bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht gewezen op de gevaren van te soepele begrotingsregelingen, en ook onder de bevolking klonken steeds meer kritische geluiden over de Europese afspraken.8 Het begrotingsregime moest in de ogen van Duitsland daarom aangescherpt worden.
Al in de conclusies van de top van de Europese Raad in Madrid van 15 en 16 december 1995 werd het belang van begrotingsdiscipline benadrukt.9 Er moest volgens deze conclusies gewerkt worden aan manieren om ervoor te zorgen dat de deelnemers aan de derde fase hun overheidsfinanciën op orde houden. Tijdens de top in Florence op 21 en 22 juni 1996 onderschreef de Europese Raad het voortgangsrapport van de Raad, waarin de begrotingsdiscipline in de derde fase werd besproken.10 Daadwerkelijke overeenstemming over de wijze waarop lidstaten hun begrotingen binnen de perken zouden moeten houden, werd echter pas bereikt tijdens de top in Dublin van 13 en 14 december 1996.11 Daar ontstond een akkoord over de voornaamste onderdelen van het zogeheten Stabiliteits- en Groeipact, dat bedoeld is om de budgettaire discipline in de EMU te waarborgen. De Europese Commissie had op dat moment al voorstellen gedaan voor twee verordeningen: een over de versterking van het multilateraal toezicht, en de andere over de intensivering van de buitensporigtekortprocedure. Tijdens de top in Amsterdam van 16 en 17 juni 1997 werden deze verordeningen aangenomen.12 Daarnaast keurde de Europese Raad tijdens die top een resolutie goed waarin de lidstaten, de
Europese Commissie en Raad zich ertoe verbinden om het Stabiliteits- en Groeipact effectief uit te voeren.13
Het Stabiliteits- en Groeipact bestaat uit deze twee EU-verordeningen en de resolutie van de Europese Raad.14 De verordening over het multilateraal toezicht wordt vaak aangeduid als de preventieve arm van het Stabiliteits- en Groeipact, waarmee buitensporige tekorten voorkomen kunnen worden. De correctieve arm bestaat uit de verordening over de buitensporigtekortprocedure en gaat over de vraag wat er moet gebeuren als er toch sprake is van een zodanig tekort. In de volgende paragrafen zal de inhoud van deze verordeningen en de resolutie van de Europese Raad aan bod komen.
7.1.1 Verordening (EG) nr. 1466/977.1.2 Verordening (EG) nr. 1467/977.1.3 Resolutie