Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.4.3
4.4.3 Kentering: een tijdelijk gedeeltelijke weigering van 35% gedurende 26 weken
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258986:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 14 augustus 1990, RSV 1990/357; CRvB 23 oktober 1990, RSV 1991/94; CRvB 23 juli 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2056, RSV 1992/4; CRvB 24 december 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2158, RSV 1992/150.
Kamerstukken II 1995/96, 23909, nr. 14, p. 7, 23.
Kamerstukken II 1995/96, 23909, nr. 14, p. 23-24.
Boot, in: T&C Socialezekerheidsrecht, commentaar op art. 27 WW; Kamerstukken I 1995/96, 23909, nr. 114b, p. 13. De tussenvorm is overigens per 1 juli 2015 gewijzigd naar een regeling waarbij het UWV de helft van een blijvend bedrag in mindering brengt over ten hoogste een periode van 26 weken.
In oktober 1995 wijkt het kabinet af van zijn ingezette lijn. Bij de derde nota van wijziging wordt een tussenvorm van de maatregel geïntroduceerd. Indien het niet nakomen van de verplichting de werknemer ‘niet in overwegende mate kan worden verweten’ dan kan de bedrijfsvereniging de uitkering over een periode van 26 weken verlagen van 70 procent naar 35 procent. Het kabinet geeft daarbij aan dat in die afweging wel de mate van verwijtbaarheid mee kan wegen, maar niet de theoretisch maximale uitkeringsduur.1
Het is niet geheel duidelijk waar deze omslag vandaan komt en waarom in deze vorm (35 procent over 26 weken), maar het zal hoogstwaarschijnlijk te maken hebben gehad met het creëren van politieke draagvlak voor het wetsvoorstel. Uit het verslag van een schriftelijk overleg van 30 oktober 19952 volgt namelijk dat er een parlementaire discussie is geweest over het volledig ontbreken van een evenredigheidstoets. Er wordt verwezen naar de eerder genoemde uitspraken van de CRvB3 waaruit bleek dat een blijvende gehele weigering van de uitkering in strijd werd geacht met het evenredigheidsbeginsel. Het argument van het kabinet dat een bijzondere rechtvaardigingsgrond voor het ontbreken van een evenredigheidstoets niet nodig was, omdat al een evenredigheidstoets door het kabinet was toegepast, zou niet overtuigen. Om te voorkomen dat de bedrijfsverenigingen de werknemer vaak het voordeel van de twijfel zou geven bij dit soort ‘alles-of-niets’ -situaties, werd een tussenvorm voorgesteld voor licht verwijtbare gedragingen, namelijk een tijdelijke weigering. Dit zou ook moeten leiden tot een vermindering van het aantal bezwaarschriften in de procedure bij het vaststellen van het recht op de WW. De Kamerfracties verzochten ook om de mogelijkheid van een waarschuwing te introduceren.4
Dan komt het antwoord van het kabinet. De voormelde Kamervragen zouden ertoe hebben geleid dat het kabinet zich had afgevraagd of een blijvend gehele weigering van de uitkering wel in alle gevallen gerechtvaardigd was. Het kabinet bleef nog wel van oordeel dat deze maatregel in beginsel gerechtvaardigd was, omdat zonder de verwijtbare gedraging geen werkloosheid (het verzekerd risico) zou zijn ingetreden. Er zijn gevallen denkbaar dat het voorzienbaar tot werkloosheid leidend gedrag van een werknemer hem slechts ten dele aan te rekenen zou vallen of niet in die mate dat een blijvend gehele weigering van de uitkering gerechtvaardigd zou zijn. Een voorbeeld van een dergelijk geval is dat een minder verstrekkende maatregel dan ontslag in een bepaald geval mogelijk was. In dit soort gevallen acht het kabinet het billijk dat het risico niet geheel voor rekening van de werknemer komt, zodat een tussenvorm van de regeling in wordt gevoerd, namelijk om de uitkering tijdelijk gedeeltelijk te verlagen naar 35 procent over een periode van 26 weken. Het criterium daarvoor is dat de werknemer niet in overwegende mate te verwijten is dat hij zijn verplichting niet is nagekomen. De twijfel dat het uitvoeringsorgaan de werknemer vaker het voordeel van de twijfel zal geven bij enkel de maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering, wordt hiermee volgens het kabinet weggenomen.5 De beoordeling van de feiten en omstandigheden van het individuele geval moet aan de bedrijfsvereniging worden overgelaten.6
Het is goed denkbaar dat om politieke redenen deze tussenvorm is ingevoerd. Uit de parlementaire stukken valt niet te halen waarom de tussenvorm van 35 procent over 26 weken in deze specifieke vorm is gegoten in plaats van de voorgestelde maatregel van een blijvend tijdelijke weigering (dus 0% over een aantal weken/maanden) of de vorm van een waarschuwing.7