Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.6.3
3.6.3 Het conflict met de kredietverschaffende bank
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401989:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dempewolf 1956, p. 851, Erman 1960, p. 6 en p. 8-9, Finger 1970, p. 643, Beuthien 1971, p. 376, H. Kaduk, ‘Verlängerter Eigentumsvorbehalt und Globalzession als konkurrierende Gläubigerrechte’, in: G. Paulus, U. Diederichsen & C.-W. Canaris (red.), Festschrift für Karl Larenz zum 70. Geburtstag, München: C.H. Beck 1973, p. 695, Picker 1988, p. 377, Baur/Baur & Stürner 2009, p. 854 en Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 166.
De enige wijze waarop de ongeldigheid kan worden voorkomen is door een dingliche Teilverzichtklausel op te nemen in de kredietdocumentatie, waarmee vorderingen waarop later een verlengd eigendomsvoorbehoud betrekking kan hebben, slechts gecedeerd worden zodra het verlengd eigendomsvoorbehoud is afgewikkeld. Zie voor een voorbeeld M. Hoffmann-Becking & P. Rawert, Beck’sches Formularbuch Bürgerliches, Handels- und Wirtschaftsrecht, München: C.H. Beck 2016, III.H.3. Globalzession, § 4.
Zie BGH 2 februari 1960, NJW 1960, 1003, BGH 9 juni 1960, NJW 1960, 1716, BGH 30 oktober 1961, VII ZR 157/60, BGH 24 april 1968, NJW 1968, 1516, BGH 6 november 1968, NJW 1969, 318, BGH 12 juni 1969, VII ZR 13/67, BGH 26 mei 1970, VI ZR 48/69, BGH 12 november 1970, NJW 1971, 372, BGH 7 maart 1974, NJW 1974, 942, BGH 9 november 1978, NJW 1979, 365, BGH 9 november 1978, NJW 1979, 371, BGH 13 juli 1983, NJW 1983, 2502, BGH 8 oktober 1986, NJW 1987, 487, BGH 18 april 1991, NJW 1991, 2144, BGH 16 maart 1995, NJW 1995, 1668, BGH 8 december 1998, NJW 1999, 940, BGH 21 april 1999, NJW 1999, 2588, BGH 14 juli 2004, NJW 2005, 1192.
Zie het meest expliciet BGH 8 december 1998, NJW 1999, 940. Reeds in die richting BGH 6 november 1968, NJW 1969, 318 en BGH 12 november 1970, NJW 1971, 372. Zie over het terugdringen van de eisen die aan het aannemen van onzedelijkheid werden gesteld o.m. Finger 1970, p. 643, R. Nirk, ‘Interessenwiderstreit der Waren- und Geldkreditgeber’, NJW 1971, p. 1914-1915, P. Schwerdtner, ‘Globalzession und verlängerter Eigentumsvorbehalt’, NJW 1974, p. 1785, Lambsdorff & Skora 1977, p. 701 en Franke 1978, p. 373.
Volgens sommigen is deze rechtspolitieke voorkeur voor het leverancierskrediet ingegeven door specifieke economische ontwikkelingen in de eerste naoorlogse jaren in West-Duitsland. Tot enige tijd na de geldhervorming in 1948, waarbij de D-Mark werd geïntroduceerd, was er slechts beperkt bancair krediet beschikbaar voor het midden- en kleinbedrijf, waardoor leveranciers praktisch de rol van de banken hadden overgenomen. In deze zin Brinkmann 2011, p. 207-208 met verdere verwijzingen. Zie t.a.v. het verband tussen verlengd eigendomsvoorbehoud en de naoorlogse situatie Mückenberger 1958, p. 1755 en Fischer 1959, p. 366. Vgl. ook Flume 1959, p. 914.
Volgens sommigen omdat dit resultaat zou overeenstemmen met een diepgewortelde recht(vaardigheid)s overtuiging (zo bijv. Picker 1988, p. 379), volgens anderen ogenschijnlijk meer als voldongen feit. In de moderne(re) literatuur is daadwerkelijke kritiek op deze voorrangspositie nauwelijks te vinden. Een uitzondering is Baur/Baur & Stürner 2009, p. 854-855. Voor daadwerkelijke kritiek moet men flink terug in de tijd. Zie bijv. E. von Caemmerer, ‘Verlängerter Eigentumsvorbehalt und Bundesgerichtshof’, JZ 1953, p. 97-100 en Westermann 1954. De bestempeling van de problematiek als ‘heftig umstritten’ door Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 165 lijkt mij daarmee te sterk. Voorheen werd nog wel betoogd dat er voor het verlengd eigendomsvoorbehoud in het geheel geen plaats zou zijn, omdat kredietverstrekking een taak van banken is. Zie bijv. W. Barkhausen, ‘Die Unwirksamkeit des verlängerten Eigentumsvorbehalts nach der Rechtsprechung des Reichsgerichts’, NJW 1949, p. 847, Mückenberger 1958, p. 1755, Fischer 1959, p. 366 en het meest potsierlijk R.M. Schmitt, ‘Um die Globalzession’, ZfdgK 1968, p. 668: ‘[Z]ur Finanzierung hat der liebe Gott den Bankier erschaffen.’ Zie ook kritisch over het verlengd eigendomsvoorbehoud Brinkmann 2011, p. 208, die meent dat als er maar voldoende bankkrediet beschikbaar is, de koper niet aangewezen is op het leverancierskrediet (zie in dat verband ook voetnoot 246). Daartegen Flume 1950 p. 842-843 die erop wijst dat de doorverkoop net zozeer als de oorspronkelijke zaak is gefinancierd door de verkoper en dat de aanspraken van de bank op die vordering een schadelijke vorm van Doppelkreditierung is en ook Flume 1959, p. 914 waarin hij erop wijst dat het verlengd eigendomsvoorbehoud onderdeel van het rechtsleven is geworden en er geen grond is om aan het verlengd eigendomsvoorbehoud werking te ontzeggen omdat anderen beter tot kredietverlening in staat zouden zijn. Vgl. ook Flume 1955, p. 564-565. Zie ook Lambsdorff & Skora 1977, p. 703 die aanvoeren dat het probleem niet verdwenen zal zijn indien er maar voldoende bancair krediet beschikbaar is, omdat er ook dan de mogelijkheid bestaat dat een klant niettemin leverancierskrediet wil gebruiken.
W. Schwister, ‘Zur Reform der Sicherungsübereignung und des Eigentumsvorbehalts’, JW 1938, p. 1960, Flume 1950, p. 842, Neubeck 1959, p. 581-582, Hees 1955, p. 525, Franke 1978, p. 375. Vgl. ook Rühl 1930, p. 41-43. Uit de rechtspraak in deze richting OLG Celle 18 januari 1952, NJW 1952, 306. Daartegen o.m.: Westermann 1954, p. 15-16 die opmerkt dat het inderdaad functioneel om een ‘Wertzuordnung mit den Mitteln der Surrogation ist, wenn sie auch rechtstechnisch als Verfügung auftritt’, maar dat het BGB alleen de allocatie van zaken kent, en niet de allocatie van waarden. Vgl. ook in die richting H.-G. Eichhorn, ‘Zur Konkurrenz des verlängerten Eigentumsvorbehaltes der Warenkreditgläubiger mit der Sicherungszession der Geldkreditgläubiger,’, DB 1954, p. 532-533, R. Capeller, ‘Die doppelte Sicherungszession an den Waren- und den Geldkreditgeber’, MDR 1956, p. 138 en Dempewolf 1956, p. 851. Daartegen o.m. Flume 1955, p. 561 en Brinkmann 2011, p. 206, voetnoot 565 die erop wijzen dat het jêist op de allocatie van waarden gaat. Recent is ook voor deze Surrogationsgedanke gepleit door MünchKomm-BGB/Roth & Kieninger 2016, § 398 BGB, Rn. 154.
Flume 1950, p. 842-843, Lange 1950, p. 566, Flume 1955, p. 561, K. Schmidt, ‘Factoring-Globalzession und verlängerter Eigentumsvorbehalt’, DB 1977, p. 68-69 en Franke 1978, p. 375.
Picker 1988, p. 379-380. Hij wijst daarbij – net als Wilhelm 2010, p. 960 – op § 48 InsO en § 392II HGB. Eerstgenoemd artikel bepaalt kort gezegd dat de (oorspronkelijke) rechthebbende van een goed, indien een goed onbevoegd is vervreemd door de schuldenaar (voor faillissement) of curator (na faillissement), aanspraak kan maken op de vordering die de tegenprestatie vormt voor de onbevoegdelijke vervreemding of, indien de vordering al is voldaan, op de opbrengst, door deze te separeren uit de faillissementsboedel, voor zover deze daarin individualiseerbaar voorhanden is. § 392 II HGB bepaalt dat de vorderingen van een commissionair in de verhouding tussen committent enerzijds en de commissionair en diens schuldeisers anderzijds aan eerstgenoemde toebehoren.
Wilhelm 2010, p. 960.
Vgl. ook BGH 30 april 1959, NJW 1959, 1533 op p. 1536: ‘Die Annahme, der Warenlieferant stehe der Forderung gegen den Abkäufer näher, würde, selbst wenn er richtig wäre, keine rechtlichen Folgerungen zulassen; sie ist im übrigen auch abzulehnen, weil die Verarbeitung und der Umsatz der eingekauften Ware regelmäûig nicht minder durch den Geldkredit der Bank als durch den Warenkredit des Lieferanten ermöglicht werden.’
Erman 1959, p. 1109-1113, Erman 1960, p. 12-17, K.O. Scherner, ‘Globalzession, verlängerter Eigentumsvorbehalt und vertikale Forderungsaufteilung’, BB 1968, p. 1267-1271,
Erman 1959, p. 1111. Vgl. ook Flume 1950, p. 846-457, Flume 1959, p. 917-918 en Franke 1978, p. 373- 376. Vgl. ook de voorstellen van de 51ste Duitse Juristendag. Zie voetnoot 235-236.
J. Esser, ‘Globalzession und verlängerter Eigentumsvorbehalt,’ JZ 1968, p. 283-285 en K.O. Scherner, ‘Globalzession, verlängerter Eigentumsvorbehalt und vertikale Forderungsaufteilung’, BB 1968, p. 1270. Vgl. ook Finger 1970, p. 644-465.
Erman 1959, p. 1112.
Zie hiervoor in paragraaf 3.6.2.
Zie met verdere verwijzingen C. Czermak, ‘Zwei Rechtsfragen des Factoring’, JBl. 1984, p. 413-417, Klang/ Thöni 2011, § 1392 ABGB, Rn. 109-110 en Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 64.
Wanneer de cash proceeds vermengd raken door bijschrijving op de bankrekening, kan aan de hand van de lowest intermediate balance rule worden vastgesteld welk deel van het saldo is te beschouwen als proceeds van de gefinancierde zaak. De aanspraak van de aanschaffinancier kan dan geldend worden gemaakt ter hoogte van het laagste tussentijdse saldo. Dat betekent onder meer dat afschrijvingen die plaatsvinden na bijschrijving van de cash proceeds eerst worden beschouwd als afschrijvingen die niet ten koste gaan van de cash proceeds. Pas indien het gedeelte van het saldo dat niet bestaat uit cash proceeds volledig is uitgeput, gaan verdere afschrijvingen ten koste van de cash proceeds. Vinden nadien weer bijschrijvingen plaats, dan herleeft de aanspraak ten aanzien van de cash proceeds in beginsel niet. Zie hierover onder meer § 9-315 UCC en UCC Official Comment, §9-315, nr. 3. Zie over de lowest intermediate balance-regel uitgebreid R. H. Skilton, ‘The Secured Party’s Rights in a Debtor’s Bank Account Under Article 9 of the Uniform Commercial Code’, Southern Illinois University Law Journal 1977, p. 140-141, W.H. Henning, ‘Article Nine’s Treatment of Commingled Cash Proceeds in Non-Insolvency Cases’, Arkansas Law Review 1981, p. 191-246, i.h.b. p. 228-231 en Lacy 1990, p. 341-347. Dikwijls zal deze mogelijkheid tot tracing opde bankrekening evenwel van weinig waarde zijn, aangezien een zekerheidsrecht op de bankrekening van de debiteur van de bank bij wie de debiteur zijn bankrekening aanhoudt, een hogere rang heeft dan de supervoorrang van de aanschaffinancier, omdat de bank control heeft m.b.t. de deposit account. Zie § 9-327 UCC (jo. § 9-324(a) en (b) UCC).
Gilmore 1965, p. 791 e.v., R.D. Henson, ‘”Proceeds” Under the Uniform Commercial Code’, Columbia Law Review 1965, p. 240, Weiss 1967, p. 786-788 en Lacy 1990, p. 361 en p. 433 e.v.
Weiss 1967, p. 788-789 en Lacy 1990, p. 433-437.
Zie het rapport van de Permanent Editorial Board for the Uniform Commercial Code: Final Report of Review Committee for Article 9 of the Uniform Commercial Code, Philadelphia: Permanent Editorial Board for the Uniform Commercial Code 1971, p. 31-32 en de hierna genoemde literatuur. Zie voor een spitsvondige maar kansloze poging tot omzeiling van dit resultaat Mbank Alamo National Assocation v. Raytheon Co., 886 F.2d 1449 (1989), waarin Raytheon betoogde dat de door hem gefinancierde machine het de schuldenaar mogelijk maakte vorderingen op diens afnemers te verwerven, waardoor Raytheon de ‘aanschaf’ van die vorderingen financierde, hetgeen zou kwalificeren als een purchase money security interest.
Coogan & Gordon 1963, p. 1567, Gilmore 1965, p. 797, H. Kripke, ‘Suggestions For Clarifying Article 9: Intangibles, Proceeds, and Priorities’, New York University Law Review 1966, p. 716-717, Weiss 1967, p. 793-794, ‘Preliminary Report No. 2 of the Review Committee on Article 9 of the Uniform Commercial Code’, The Business Lawyer 1970, p. 1093, ‘A Second Look at the Amendments to Article 9 of the Uniform Commercial Code’, The Business Lawyer 1974, p. 1002-1003 en Lacy 1990, p. 437 en p. 442.
Zie de literatuur in voetnoot 268 en het meest expliciet problematiserend Lacy 1990, p. 363, p. 381-382 t.a.v. het (voorheen) gelijksoortige probleem m.b.t. chattel paper en voorts p. 443 en p. 449-450. Vgl. ook Brinkmann 2011, p. 419.
Lacy 1990, p. 363, p. 446-450.
Lacy 1990, p. 363, p. 381-382 t.a.v. het (voorheen) gelijksoortige probleem m.b.t. chattel paper en voorts p. 443 en p. 446-450.
Zie Gilmore 1963, p. 1383, Reeves 1969, p. 1165, ‘A Look at the Work of the Article 9 Review Committee’, The Business Lawyer 1970, p. 322 en ‘A Second Look at the Amendments to Article 9 of the Uniform Commercial Code’, The Business Lawyer 1974, p. 1003.
Zie McAlister 1993, p. 677-678 en p. 684-692.
Zie hiervoor in paragraaf 3.4.5. Vgl. in deze context I. Koller, ‘Sittenwidrigkeit der Gläubigergefährdung und Gläubigerbenachteiligung’, JZ 1985, p. 1021-1022.
Brinkmann 2011, p. 419.
Gilmore 1965, p. 797. Vgl. ook Coogan & Gordon 1963, p. 1567.
Zie o.m. BGH 19 september 1977, NJW 1977, 2207, BGH 7 juni 1978, NJW 1978, 1972 en BGH 15 april 1987, NJW 1987, 1878 in navolging van Serick 1976, p. 566 e.v. In geval van oneigenlijke factoring is sprake van kredietverschaffing en wordt de Vertragsbruchlehre wÉl toegepast. Zie naast de voorgaande rechtspraak BGH 14 oktober 1981, NJW 1982, 164.
Zie naast de in de vorige noot genoemde rechtspraak uit de literatuur o.m. Serick 1976, p. 566-584, Wilhelm 2010, p. 961-963, Bülow 2012, p. 631 e.v., Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 175 e.v. en MünchKomm-BGB/Roth & Kieninger 2016, § 398 BGB, Rn. 160 e.v. Daarbij is van belang dat de koper na doorverkoop en cessie van de doorverkoopvordering bevoegd blijft om de vordering te innen door middel van een Einziehungsermächtigung die hem verleend is door de verkoper.
De daaruit voortspruitende risico’s kunnen verkoper en koper bovendien afdekken door het eigendomsvoorbehoud bij wijze van alternatief niet enkel tot de doorverkoopvordering te verlengen maar ook tot de vordering van de koper op de factor. Zo bijv. K.P. Schmitz-Weckauf, ‘Der Schutz des Eigentumsvorbehaltslieferanten bei echtem Factoring ‘, NJW 1985, p. 467-468, G.M. Iro, ‘Zur Kollision von Factoring und verlängertem Eigentumsvorbehalt’, ÖBA 1990, p. 269-271 en A. Beck, ‘Der verlängerte Eigentumsvorbehalt in der Zwickmühle?’, KTS 2008, p. 137-139. Zie voor een voorbeeld van een dergelijk beding de Einheitsbedingungen der deutschen Textilwirtschaft, § 10, nr. 6c, te vinden in F. Graf von Westphalen & G. Thüsing, Vertragsrecht und AGB-Klauselwerke, München: C.H. Beck 2014, Klauselwerke: Die Einheitsbedingungen der deutschen Textilwirtschaft, Rn. 43.
Zie hiervoor in paragraaf 3.4.5, in het bijzonder de bij voetnoot 112 behorende hoofdtekst.
HR 25 juni 1954, NJ 1955, 685 m.nt. D.J. Veegens (Doorverkochte rogge).
Zie voor een uitwerking hoofdstuk 7, paragraaf 7.3.
Vgl. H. Eidenmüller, ‘Die Dogmatik der Zession vor dem Hintergrund der internationalen Entwicklung’, AcP 2004, p. 481-482 die opmerkt dat dit tot gevolg zou kunnen hebben dat leveranciers überhaupt geen krediet meer wensen te verschaffen met de nadelige gevolgen van dien.
Von Bar & Clive 2009, p. 5568-5569.
De verlenging van het eigendomsvoorbehoud leidt dikwijls tot conflicten tussen de verkoper en de kredietverschaffende bank. De kredietverschaffende bank pleegt zekerheid te bedingen op alle bestaande en toekomstige goederen van de kredietnemer, waaronder de doorverkoopvorderingen en de nieuw gevormde zaken. Terwijl het eenvoudig eigendomsvoorbehoud verkoper zonder meer beschermt tegen aanspraken van de kredietverschaffende bank, omdat de zaak nog niet tot het vermogen van de koper gaat behoren, geldt dat niet voor het verlengd eigendomsvoorbehoud. Aangezien de verkoper en de bank beide een zekerheidsrecht wensen te verkrijgen op een tot het vermogen van de koper behorend goed, beslissen hier in beginsel de algemene voorrangs- en prioriteitsregels.
Zoals hiervoor aan de orde kwam, komt men in de hier onderzochte rechtsstelsels bij de verlenging van het eigendomsvoorbehoud op nieuw gevormde zaken desalniettemin steeds tot een voorrang van de verkoper. Deze voorrang wordt bewerkstelligd doordat aangenomen wordt dat het voorrangspositie van de verkoper zich (al dan niet in andere vorm) van rechtswege uitstrekt tot de nieuw gevormde zaak of door (een aandeel in) de eigendom van de nieuw gevormde zaak van rechtswege toe te kennen aan de verkoper. Aldus is gewaarborgd dat de voorrang van de verkoper met betrekking tot de verkochte zaak ook gehandhaafd is met betrekking tot de zaak die uit de verkochte zaak is ontstaan. Met betrekking tot de vordering die de koper verkrijgt door de doorverkoop van de verkochte zaak, komen de verschillende rechtsstelsels echter tot uiteenlopende resultaten.
Het Duitse recht heeft via rechterlijk ingrijpen bereikt dat de aanspraken van de verkoper met betrekking tot de doorverkoopvordering voorgaan boven aanspraken van de kredietverschaffende bank. De verlenging van het eigendomsvoorbehoud geschiedt doordat de verkoper de toekomstige doorverkoopvordering bij voorbaat aan zich laat cederen door een Vorausabtretungsklausel. De kredietverschaffende bank pleegt door middel van een Globalzession alle bestaande en toekomstige vorderingen die de koper zal verkrijgen tot zekerheid aan zich te laten cederen. Op grond van de prioriteitsregel, die het Duitse recht ook op de cessie bij voorbaat toepast, sorteert uitsluitend de eerste cessie bij voorbaat effect. Daarmee zou de cessie aan de bank vrijwel altijd voorgaan, omdat de bank veelal eerder bij de bedrijfsactiviteiten van de koper is betrokken, doordat het aan het begin een bancair krediet verschaft, tot terugbetaling waarvan alle bestaande en toekomstige vorderingen tot zekerheid worden gecedeerd. Dit zou tot gevolg hebben dat de verlenging van het eigendomsvoorbehoud vrijwel in alle gevallen geen effect zou sorteren.1 Sinds 1959 past het BGH op de botsing tussen de cessie aan de bank en de verkoper echter de zogenoemde Vertragsbruchlehre toe, als gevolg waarvan per saldo voorrang wordt verleend aan de latere cessie aan de verkoper, die daardoor de doorverkoopvordering als surrogaatzekerheid verkrijgt.2
Volgens het BGH is de cessie bij voorbaat aan de bank namelijk in strijd met de goede zeden en de wet indien de cessie ertoe leidt dat de koper zijn verplichtingen uit een later verlengd eigendomsvoorbehoud niet kan nakomen. Indien de koper namelijk zaken onder verlengd eigendomsvoorbehoud aanschaft, zal hij de verkoper noodzakelijkerwijs moeten misleiden, omdat hij vanwege de eerdere cessie aan de bank niet in staat is het verlengd eigendomsvoorbehoud, waarmee hij heeft ingestemd, na te komen. De koper is, aldus het BGH, genoodzaakt jegens de verkoper ‘grobe Vertragsverletzungen, möglicherweise sogar strafbare Handlungen (Betrug, Unterschlagung, Untreue) [zu] begehen.’3 Indien de koper slechts zaken onder verlengd eigendomsvoorbehoud kan betrekken, ‘dwingt’ de eerdere cessie aan de bank de koper tot wanprestatie jegens de verkoper, omdat hij zijn verplichtingen uit het verlengd eigendomsvoorbehoud – cessie van de vordering aan de verkoper – niet meer kan nakomen. Indien de bank weet dat de koper in de regel slechts zaken onder verlengd eigendomsvoorbehoud kan verwerven, is de eerdere cessie bij voorbaat aan de bank ongeldig, indien de frustratie van de belangen van de verkoper niet anderszins wordt vermeden.4 In zijn latere rechtspraak heeft het BGH deze Vertragsbruchlehre veelvuldig bevestigd en verduidelijkt.5 Terwijl de strijdigheid met de goede zeden oorspronkelijk slechts werd aangenomen indien de bank weet dat de koper alleen zaken onder verlengd eigendomsvoorbehoud kan betrekken, neemt het BGH in latere uitspraken ook strijd met de goede zeden aan indien het verlengd eigendomsvoorbehoud in de desbetreffende branche geen ongebruikelijk beding is.6
Hoewel de voorrang van de verkoper door het BGH wordt bereikt door een juridisch-technische argumentatie (namelijk toepassing van de Vertragsbruch-lehre), is deze voorrang ingegeven door de rechtspolitieke wens om het leverancierskrediet te privilegiëren boven het bancair krediet.7 Daaraan ligt de hiervoor reeds besproken gedachte ten grondslag dat de waarde van de onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaak besloten ligt in de doorverkoopvordering. Kernachtig komt deze ratio van de Vertragsbruchlehre tot uitdrukking in een uitspraak van het BGH uit 2004, waarin hij de ratio decidendi van zijn eigen rechtspraak als volgt samenvat.8 De verlenging van het eigendomsvoorbehoud strekt ertoe dat de verkoper de doorverkoopvordering verkrijgt als surrogaatzekerheid voor de verkochte zaak, omdat hij deze zaak door de doorverkoop verliest. De verlenging strekt ertoe ‘den in seiner Sache verkörperten Wert weiter zu sichern, und zwar über den zum Verlust seines Eigentums führenden Verwertungsakt hinaus.’ Van belang is daarbij volgens het BGH dat het verlengd eigendomsvoorbehoud beperkt is tot de concrete vordering die de waarde van de zaak belichaamt, terwijl dit aspect bij een Globalzession ten gunste van de bank ontbreekt. In dat geval wordt generiek een groot aantal willekeurige vorderingen gecedeerd, zonder dat er een ‘direkter Zusammenhang zwischen der Leistung des Sicherungsnehmers und den sicherungshalber übertragenen Forderungen des Sicherungsgebers besteht.’ Het verlengd eigendomsvoorbehoud heeft ten doel te voorkomen dat de verkoper zijn eigendom verliest en ook geen vervangende zekerheid verkrijgt.
Daardoor zou hij een ‘endgültigen Substanzverlust’ lijden. Gelet op deze aspecten is volgens het BGH sprake van een ‘besonderes Schutzbedürfnis’ van de verkoper, die ook zijn weerslag heeft op de positie van de koper. Als de koper verzwijgt dat hij reeds eerder vorderingen aan een bank heeft gecedeerd, pleegt hij wanprestatie jegens de verkoper, omdat hij zijn eigendom en de daarin belichaamde waarde in gevaar brengt en teniet doet gaan. Doet hij mededeling van de eerdere cessie aan de bank, dan bestaat de kans dat de verkoper (en eventueel ook andere leveranciers) hem in de toekomst geen zaken meer wil leveren met de bevoegdheid tot doorverkoop, hetgeen tot gevolg heeft dat de koper ‘sein für ihn notwendiges wirtschafliches Betätigungsfeld einbüût.’ Door dit conflict bevindt de koper zich derhalve in een Zwangslage, die het gevolg is van de bijzondere behoefte aan bescherming van de voorbehoudsverkoper en de daaruit voortvloeiende plichten en getrouwheid van de koper jegens de verkoper. Om die reden, aldus nog altijd het BGH, vergt de rechtspraak van een eerdere cessionaris dat hij rekening houdt met deze dwangpositie van de kredietnemer-koper.
In het algemeen heeft de gedachte dat de verkoper bijzondere bescherming verdient omdat de waarde van de verkochte zaak besloten ligt in de doorverkoopvordering, ook ingang gevonden in de Duitse literatuur.9 Deze waardegedachte komt pregnant tot uitdrukking in een tweetal alternatieve verklaringen voor de voorrangspositie van de verkoper, die in de literatuur zijn ontwikkeld. Het gaat daarbij om de zogenoemde waardetheorie en de splitsingstheorie. Aan de waardetheorie ligt de Surrogationsgedanke ten grondslag, die inhoudt dat de doorverkoopvordering in economisch opzicht is te beschouwen als het surrogaat van de verkochte zaak. Hoewel geen sprake is van zaaksvervanging (dingliche Surrogation), benadrukt deze theorie dat sprake is van een waardevervanging in economische zin.10 De voorrang van de verkoper wordt in deze benadering gerechtvaardigd door de omstandigheid dat de verkoper vanwege de duidelijke band tussen doorverkoopvordering en oorspronkelijke zaak meer aanspraak zou kunnen maken op de doorverkoopvordering.11 Hoewel het BGH deze theorie reeds in 1959 heeft verworpen omdat toepassing van het zaaksvervangingsleerstuk beperkt is tot in de wet genoemde gevallen,12 komen deze argumenten, zoals hierboven aan de orde kwam, wel duidelijk terug in de rechtspraak van het BGH. Auteurs die deze theorie verdedigen, wijzen op het centrale beginsel dat de waarde dient toe te komen aan degene wiens zaak wordt vervreemd.13 De voorrang van de verkoper wordt in deze benadering niet zozeer gebaseerd op de strijdigheid van de cessie aan de bank met de goede zeden, maar op de omstandigheid dat de waardegedachte leidt tot een noodzakelijke prioritering van de belangen van de verkoper:
‘Der Unternehmenskreditgeber finanziert das Unternehmen, sein Beitrag ermöglicht das Unternehmensergebnis. Der Warenkreditgeber finanziert die Einzellieferung, sein Beitrag ergibt die Weiterveräuûerungsforderung aus dem von ihm ermöglichten Einzelgeschäft. Da das dem Unternehmenskreditgeber zuzurechnende Gesamtergebnis der Saldo, das Residuum aus den Ergebnissen aller Einzelgeschäfte des Unternehmens ist, geht die Abwicklung der Einzelgeschäfte einschlieûlich der Zurechnung der Einzelgeschäftsforderung an den das Geschäft finanzierenden Warenkreditgeber der Berücksichtigung des Beitrags des Unternehmensfinanziers vor.’14
De voorrangspositie van de verkoper is daarmee een gevolg van de allocatie van de doorverkoopvordering aan de hand van het waardecriterium.
De splitsingstheorie knoopt evenzeer aan bij de waarde die de vordering uit doorverkoop belichaamt, maar kiest voor een meer gedifferentieerde benadering. Volgens de auteurs die deze theorie verdedigen is namelijk zowel toepassing van de prioriteitsregel als toepassing van de Vertragsbruchlehre te absoluut. In het eerste geval verkrijgt de bank een absolute voorrang, terwijl dat in het tweede geval voor de verkoper geldt. De splitsingstheorie legt de nadruk op het feit dat zowel de verkoper als ook de kredietverschaffende bank een bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan van de doorverkoopvordering.15 De auteurs die deze theorie verdedigen bewandelen de middenweg en pleiten voor een splitsing van de vordering uit doorverkoop, omdat zowel waarde van het leverancierskrediet als geldkrediet wordt belichaamd door de doorverkoopvordering.16 Aldus kunnen beide financiers aanspraak maken op het deel van de vordering dat overeenstemt met datgene ‘was von der einzelnen Seite an Wert wirklich in die Forderung eingeflossen ist.’17 Moeizaam aan deze benadering is dat niet op eenvoudige wijze is vast te stellen aan de hand van welke verdeelsleutel de opsplitsing zou moeten plaatsvinden. Door sommigen wordt voorgesteld dat de splitsing aldus dient te geschieden dat de verkoper aanspraak kan maken op dat deel van de vordering dat de waarde belichaamt van de door hem verschafte prestatie en het overschot vervolgens toekomt aan de bank.18 Anderen stellen voor dat de bank en leverancier aanspraak kunnen maken op dat deel van de vordering dat de waarde belichaamt van de door hen verschafte prestaties. Indien ook eigenkapitaal is gebruikt, zou een daarmee overeenstemmend deel gereserveerd dienen te blijven voor de concurrente schuldeisers.19 Weer anderen opperen een splitsing waarbij als verdeelsleutel de hoogte van het verschafte krediet wordt gehanteerd.20 Het BGH heeft ook de splitsingstheorie in 1960 al verworpen, omdat daarvoor geen steun in de wet is te vinden en de wil van partijen gericht is op verkrijging van de gehele vordering.21 Bovendien is volgens hem onduidelijk aan de hand van welke criteria de splitsing zou moeten plaatsvinden, zodat niet voldaan is aan het bepaalbaarheidsvereiste. Uiteindelijk bereikt de praktijk soms alsnog wel degelijk een met de splitsingstheorie vergelijkbaar resultaat. Zoals hiervoor aan de orde kwam, beperkt de verkoper het verlengd eigendomsvoorbehoud veelal tot een deelcessie ter hoogte van de koopprijs teneinde te voorkomen dat de verlenging geen effect zou sorteren omdat zij zou leiden tot een oververzekering van de verkoper.22
Het Oostenrijkse recht kent de verkoper geen prioritaire aanspraak toe met betrekking tot de doorverkoopvordering. Hoewel in de Oostenrijkse literatuur wel gepleit is voor de aanvaarding van de Duitse Vertragsbruchlehre, laat een dergelijk resultaat zich niet eenvoudig inpassen in het Oostenrijkse recht, dat nadere publiciteitseisen stelt aan de totstandkoming van de zekerheidscessie. Hoewel hierover geen rechtspraak voorhanden is, neemt een meerderheid in de Oostenrijkse literatuur dan ook aan dat de cessie ten aanzien waarvan als eerste aan de publiciteitseisen is voldaan effect sorteert en de prioriteitsregel derhalve beslissend is.23
Onder de gelding van de UCC hangt de voorrangsvraag af van het type goed dat wordt vervreemd. In beginsel kiest de UCC voor de benadering waarbij het zekerheidsrecht van de aanschaffinancier en de daarbij horende supervoorrang zich uitstrekken tot de proceeds van de verkochte zaak. Dergelijke proceeds worden in § 9-102(a)(64)(A) UCC gedefinieerd als ‘whatever is acquired upon the sale, lease, license, exchange, or other disposition of collateral.’ In het bijzonder moet een onderscheid worden gemaakt tussen zaken die hebben te gelden als inventory en zaken waarvoor dat niet geldt. Van belang is dat onder de definitie van inventory op grond van § 9-102(a)(48) UCC onder meer zaken worden begrepen die bestemd zijn om te worden doorverkocht. De vraag of de verkoper of de bank aanspraak kan maken op de proceeds zal zich dan ook met name voordoen bij dat type zaken. Met betrekking tot zaken die niet vallen onder de definitie van inventory geldt dat het zekerheidsrecht van de aanschaffinancier zich met de supervoorrang uitstrekt tot de proceeds (§ 9-324(a) UCC).
Zoals gezegd, zal de vraag of het zekerheidsrecht zich met de supervoorrang uitstrekt tot doorverkoopvordering zich veelal echter voordoen bij inventory. Daarvoor geldt een genuanceerd stelsel, dat afhangt van het type proceeds. Indien de inventory wordt doorverkocht en de koopprijs door de afnemer wordt betaald voor of op de dag dat de zaak aan hem wordt afgeleverd (verkoop à contant), strekt de supervoorrang van de aanschaffinancier zich ook uit tot deze identifiable cash proceeds (§ 9-324(b) UCC). Zij kunnen bovendien worden getraceerd indien ze zijn bijgeschreven op de bankrekening van de debiteur.24 Indien de inventory wordt doorverkocht op krediet en de wederverkoper daarbij een zekerheidsrecht bedingt tot zekerheid van de betaling van de koopprijs door de afnemer, dan kwalificeert dit geheel (de vordering van de doorverkoper en het daarbij horende zekerheidsrecht) als een ‘record that evidences both a monetary obligation and a security interest in specific goods’, hetgeen valt onder de definitie van chattel paper (§ 9-102(a)(11) UCC). Het zekerheidsrecht van de aanschaffinancier strekt zich met dezelfde supervoorrang uit tot een dergelijk chattel paper.25
Indien de inventory op krediet wordt doorverkocht en daarbij geen zekerheidsrecht wordt voorbehouden, komt de doorverkoopvordering (account; zie voor de definitie § 9-102(a)(2) UCC) in beeld als proceeds van de gefinancierde zaak. Lange tijd bestond er grote onduidelijkheid over de vraag of de supervoorrang van de aanschaffinancier zich ook uitstrekt tot dergelijke doorverkoopvorderingen, omdat tekst noch toelichting van de UCC daarover duidelijkheid verschafte.26 De discussie in de literatuur spitste zich toe op het belangenconflict tussen de (aanschaf)financier van inventory en de financier van de vorderingen, zoals een factormaatschappij. Indien de (super)voorrang van de (aanschaf)financier van inventory geen betrekking zou hebben op de doorverkoopvorderingen, zou het zekerheidsrecht van deze financier voor een groot deel illusoir zijn, aangezien dergelijke zaken bestemd zijn om te worden doorverkocht. Indien daarentegen het zekerheidsrecht van de accounts financer een lagere rang zou hebben dan het zekerheidsrecht van de inventory financer, zou dit de financiering op basis van vorderingen grotendeels uithollen, omdat deze vorderingen de financier van vorderingen een stuk minder zekerheid zouden bieden.27
Bij de herziening van de UCC in 1972 is gekozen voor de oplossing waarbij de supervoorrang van de aanschaffinancier van inventory zich niet uitstrekt tot de accounts.28 Deze beperking van de supervoorrang van de aanschaffinancier van inventory wordt onderbouwd met het argument dat de financiering van vorderingen, in het bijzonder alle vormen van factoring, voor de economie en het bedrijfsleven een belangrijkere vorm van financiering is dan de financiering van inventory.29 Bovendien correspondeert dit resultaat volgens de officiële toelichting in de regel met de verwachtingen van partijen:
‘Many parties financing inventory are quite content to protect their first-priority security interest in the inventory itself. They realize that when the inventory is sold, someone else will be financing the resulting receivables (accounts or chattel paper), and the priority for inventory will not run forward to the receivables constituting the proceeds. Indeed, the cash supplied by the receivables financer often will be used to pay the inventory financing.’30
Met betrekking tot accounts bepaalt derhalve de first-to-file-rule (§ 9-322 UCC) de rang van de verschillende zekerheidsrechten. Anders dan ten aanzien van zekerheidsrechten op de oorspronkelijke zaak zelf, wordt daarop geen uitzondering gemaakt voor de aanschaffinancier die aanspraak maakt op deze accounts als proceeds van een zaak waarop hij een zekerheidsrecht met supervoorrang had.
Deze oplossing is om meerdere redenen bedenkelijk. Zij is toegespitst op het conflict tussen de (aanschaf)financier van inventory en de financier van vorderingen, die de financiering specifiek afstemt op het vorderingenbestand en nieuw krediet beschikbaar stelt zodra nieuwe vorderingen worden verworven.31 Het gaat derhalve om factormaatschappijen. Zoals uit de toelichting blijkt, ligt aan de oplossing de gedachte ten grondslag dat de financier van de inventory wordt voldaan door middel van de middelen die de factormaatschappij ter beschikking stelt. De gekozen oplossing heeft evenwel ook betrekking op het conflict tussen de aanschaffinancier van de inventory en de (bancaire) kredietverschaffer die de gehele bedrijfsactiviteiten van de wederverkoper financiert en een generiek zekerheidsrecht heeft bedongen op alle bestaande en toekomstige goederen.32 Daarvoor bestaat geen goede rechtvaardiging. Zoals hiervoor aan de orde kwam, ligt aan de superpriority van de aanschaffinancier onder meer de gedachte ten grondslag dat hiermee de monopoliepositie van de eerdere financier die een generiek zekerheidsrecht heeft bedongen, kan worden doorbroken. Als gevolg van de bij de herziening gekozen oplossing, doet zich het merkwaardige resultaat voor dat de eerdere bancaire kredietverschaffer met betrekking tot de inventory een lagere rang heeft dan de aanschaffinancier, maar met betrekking tot de accounts die de proceeds vormen van diezelfde inventory een hogere rang heeft, terwijl beide financiers aanspraak maken op de accounts als proceeds en niet specifiek de vorderingen financieren.33 Aldus kan de financierende bank ‘haasje-over-springen’ en zodoende de supervoorrang van de aanschaffinancier teniet doen. Aangezien inventory bestemd is om te worden doorverkocht, is de supervoorrang van de aanschaffinancier daarmee van weinig waarde.34 Dit resultaat verdraagt zich niet met de ratio die ten grondslag ligt aan de supervoorrang van de aanschaffinancier.35 Deze voorrang strekt er immers toe de aanschaffinancier (en de kredietnemer) te beschermen tegen een generiek zekerheidsrecht van de eerdere financier.36
Ook het argument dat de financier van inventory dikwijls betaald zal worden met de middelen die de vorderingenfinancier beschikbaar stelt, treft slechts doel indien de vorderingenfinancier een factormaatschappij is die daadwerkelijk uitkeringen doet indien de kredietnemer vorderingen verkrijgt op een afnemer.
Dat geldt niet indien de andere financier simpelweg een (generiek) zekerheidsrecht heeft bedongen op de toekomstige vorderingen in het kader van een doorlopend krediet.37 Om deze reden is door onder meer Gilmore voorgesteld dat aan het zekerheidsrecht van de accounts financer slechts dan een hogere rang zou moeten toekomen, indien hij daadwerkelijk new value heeft verschaft aan de kredietnemer.38 Dat voorstel is bij de herziening echter niet overgenomen. In een dergelijk geval valt er iets te zeggen voor de voorrang van de factormaatschappij. Bij een botsing tussen een verlengd eigendomsvoorbehoud en factoring komt het Duitse recht tot een vergelijkbare oplossing. Indien het verlengd eigendomsvoorbehoud collideert met een eerdere cessie aan de factormaatschappij, vindt de Vertragsbruchlehre op deze botsing geen toepassing, althans waar het gaat om eigenlijke factoring, waarvan sprake is indien de cessie geschiedt ten titel van koop en de factormaatschappij het delcredererisico overneemt.39 Aan dat resultaat ligt de gedachte ten grondslag dat de verkoper in geval van eigenlijke factoring niet in een slechtere positie komt te verkeren dan in het geval dat het eigendomsvoorbehoud succesvol zou worden verlengd tot de doorverkoopvordering en de afnemer vervolgens de koopprijs aan de wederverkoper (i.e. de koper onder eigendomsvoorbehoud) zou betalen. Ook dan verliest de verkoper zijn surrogaatzekerheid en is hij afhankelijk van het daadwerkelijk doorgeleiden van de betaalde koopprijs aan hem.40 Per saldo komt het dan aan op de vraag wie het risico draagt van het daadwerkelijk aan de verkoper doorgeleiden van de door de factor verschafte gelden. Aangezien de verkoper dit risico ook draagt indien de afnemer de koopprijs aan de koper betaalt, is het niet onredelijk dit risico neer te leggen bij de verkoper.41 Bovendien is de cessie aan de factormaatschappij veelal ook in het belang van de verkoper, omdat hij daardoor sneller kan worden voldaan.
Indien het daarentegen gaat om het conflict tussen de verkoper en de kredietverschaffende bank, geldt dit alles niet. Niet goed valt in te zien waarom de super voorrang van de aanschaffinancier zou moeten vervallen op het moment dat de gefinancierde zaak wordt doorverkocht, wanneer men bedenkt dat de aanspraak van de aanschaffinancier op de doorverkoopvordering beperkt blijf tot de waarde van de oorspronkelijk gefinancierde zaak. Het behoud van de supervoorrang zou geen verandering brengen in de onderlinge verhouding tussen de aanschaffinancier en de kredietverschaffende bank. Integendeel, de bank is door het verlies van de supervoorrang in staat om de door hem gemaakte verkeerde inschatting dat de kredietnemer met het door de bank verschafte krediet in staat zou zijn de doorverkoopvordering te genereren, af te wentelen op de aanschaffinancier, waartegen de supervoorrang juist beoogt te waken.42
Ook onder de gelding van het Oud BW werd het conflict tussen de kredietverschaffende bank en de onbetaald gebleven verkoper die het verlengd reclamerecht geldend wenste te maken beslecht ten gunste van laatstgenoemde. Het was volgens de Hoge Raad namelijk niet onredelijk ‘dat een vordering, die de koper heeft verkregen doordat hij de contant gekochte, doch niet betaalde goederen heeft doorverkocht, gedurende dertig dagen na de oorspronkelijke aflevering ten behoeve van de oorspronkelijken verkoper belast blijft, daar het door de wet erkende belang van den oorspronkelijken verkoper niet lager behoeft te worden aangeslagen dan het belang van dengene die zich ondanks het niet gekweten zijn van den oorspronkelijken verkoper de vordering heeft doen overdragen’, terwijl ‘degene die zich een vordering doet overdragen dit steeds doet op eigen gevaar.’43 Wanneer een bank ervan uitgaat dat de verkoper met het door hem verschafte krediet wordt voldaan, dient de bank, zoals Veegens opmerkte, ‘er nauwlettend op toe te zien, dat hun credieten tegen cessie van vorderingen ook worden aangewend tot betaling van de verkopers der goederen.’
Gelet op al deze argumenten is het behoud van de voorrangspositie van de verkoper ten aanzien van de doorverkoopvorderingen gerechtvaardigd, voor zover daarin de waarde besloten ligt van de verkochte zaak.44 Een andersluidende opvatting zou tot gevolg hebben dat het eigendomsvoorbehoud in gevallen waarin de verkochte zaak bestemd is om te worden doorverkocht, van weinig waarde zou zijn.45 Daarvan zouden de overige schuldeisers van de koper, in het bijzonder de kredietverschaffende bank profiteren, hetgeen vanwege de neutraliteit van het (verlengd) eigendomsvoorbehoud niet gerechtvaardigd is. De voorkeur verdient derhalve de oplossing van het Duitse recht. Ook de DCFR kiest voor deze oplossing en wijkt daarmee wat betreft inventory af van de UCC. De voorrang van de verkoper onder eigendomsvoorbehoud en de aanschaffinancier met een zekerheidsrecht strekt zich, indien partijen een verlenging zijn overeengekomen,46 uit tot de doorverkoopvorderingen als proceeds van de oorspronkelijke gefinancierde zaak. Onder de definitie van proceeds valt onder meer de ‘value realised by sale or other disposition’ (art. IX.-1:201(11)(a) DCFR). Als het eigendomsvoorbehoud contractueel wordt verlengd, verkrijgt de verkoper derhalve een security right ten aanzien van de proceeds. Dat zekerheidsrecht heeft dezelfde superpriority als met betrekking tot de gefinancierde zaak gold (art. IX.-4:104 jo. art. IX.-4:105(2)(b) DCFR). Ter onderbouwing van deze keuze wijst de toelichting erop dat het behoud van supervoorrang in overeenstemming is met sommige nationale rechtsstelsels, in het bijzonder het Duitse recht. Het voordeel van de door de DCFR gekozen oplossing is, aldus de toelichting, dat het niet nodig is om terug te grijpen op algemene leerstukken zoals de goede zeden om dit ‘economically reasonable result’ te bereiken.47