Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.4.2:4.4.2 Het advies van de Raad van State bij het uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/4.4.2
4.4.2 Het advies van de Raad van State bij het uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258944:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.4.4; Van Ogtrop, Sociaal Recht 1995/6.
CRvB 14 augustus 1990, RSV 1990/357; CRvB 23 oktober 1990, RSV 1991/94; CRvB 23 juli 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2056, RSV 1992/4; CRvB 24 december 1991, ECLI:NL:CRVB:1991:ZB2158, RSV 1992/150 en de aangehaalde jurisprudentie in het artikel van Van Ogtrop, Sociaal Recht 1995/6.
Kamerstukken II 1994/95, 23909, C, p. 2.
Kamerstukken II 1994/95, 23909, nr. 8, p. 32-33.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Raad van State was het niet eens met de keuze van het kabinet om tot blijvend gehele weigering over te gaan in alle gevallen van verwijtbare werkloosheid.1 Dit omdat alle maten van verwijtbare gedragingen even zwaar zouden worden bestraft en de feitelijke strafmaat voor de ene overtreder zwaarder zou zijn dan voor de andere, afhankelijk van de uitkeringsduur. De sanctie zou volgens de Raad dan niet in verhouding staan tot de ernst van de verwijtbare gedraging. Voor het volledig uitsluiten van een belangrijk beginsel als het evenredigheidsbeginsel zag de Raad geen bijzondere rechtvaardigingsgrond. De mate van verwijtbaarheid kon door de uitsluiting van het evenredigheidsbeginsel niet meer tot uitdrukking worden gebracht door het aanpassen van de sanctiehoogte. Er zouden situaties ontstaan waarbij de gedraging licht verwijtbaar was, de werknemer een lang en stabiel opgebouwd arbeidsverleden had, maar toch de WW-rechten geheel verloor.2
Ook uit uitspraken3 vóór de invoering van de Wet Boeten bleek dat de CRvB een blijvend gehele weigering van de uitkering in verschillende situaties in strijd achtte met het evenredigheidsbeginsel.4 Het kabinet vond echter dat elk verwijtbaar gedrag (in welke mate dan ook) dat redelijkerwijs voorzienbaar tot werkloosheid zou leiden bestraft zou moeten worden. De vóór de invoering van de Wet Boeten ontwikkelde jurisprudentie van de CRvB werd door het kabinet naast zich neergelegd, omdat de evenredigheidstoets werd vervangen met een voorzienbare verwijtbaarheidstoets.5