Bedrijfswaarde (FM)
Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.2:4.12.2 Bedrijfswaarde deelneming en intrinsieke waarde
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.12.2
4.12.2 Bedrijfswaarde deelneming en intrinsieke waarde
Documentgegevens:
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS343126:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Leeuwarden 2 september 1994, nr. 680/93, M I, FED 1994/658,V-N 1994, blz. 3862-3863.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 2 september 1994 deed Hof Leeuwarden uitspraak1 in een casus over de waardering van een deelneming per 28 april 1990 die op 14 maart 1990 was gekocht voor f 1 140 436. Belanghebbende claimde een afwaarderingsverlies wegens waardering op lagere bedrijfswaarde van f 373 346 waarbij kennelijk de datum van 28 april 1990 was ingegeven door de inwerkingtreding van de herziene deelnemingsvrijstelling op basis waarvan de zogenaamde annaal-bezitseis werd afgeschaft. Het Hof oordeelde als volgt:
`Opmerking verdient in dit verband, dat voor de beoordeling van de bedrijfswaarde van een deelneming voor het geval, gelijk te dezen, vervreemding door de ondernemer niet wordt beoogd of anderszins op korte termijn niet te verwachten is, niet de verkoopwaarde van die deelneming van belang is, doch de indirecte opbrengstwaarde daarvan, waarbij centraal staat de bijdrage welke een deelneming als going-concern als bestanddeel van de onderneming aan de winst van die onderneming zal kunnen leveren.'
Conclusie: Belanghebbende heeft een lagere bedrijfswaarde van de deelneming niet aannemelijk kunnen maken. De winst van de deelneming bedraagt in 1990 (na vennootschapsbelasting) f 120 300. Uitgaande van een door belanghebbende bij de koop gehanteerde rentabiliteitsnorm van 10 komt dit vrijwel overeen met de koopprijs ad f 1 140 436.
Vervolgens probeert belanghebbende door middel van de waardering van de deelneming op intrinsieke waarde toch tot zijn gelijk te komen. Tevergeefs, want het Hof stelt aangaande de relatie tussen de intrinsieke waarde en de bedrijfswaarde van de deelneming: 'Het Hof merkt in dit verband voorts nog op, dat het voorbij gaat aan hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd voor zover dat betrekking heeft op de intrinsieke waarde van de deelneming, nu een zodanige waarde weliswaar invloed kan hebben op de verkoopwaarde daarvan, doch niet op de bedrijfswaarde in vorenomschreven zin van de deelneming.'
De redactie van het Vakstudie Nieuws2 is het eens met deze uitspraak en geeft als commentaar: 'Dat feitelijk kwam vast te staan dat i.c. van een lagere bedrijfswaarde niet gesproken kon worden, mag geen verbazing wekken. Aan de bedrijfswaarde is als typische going-concernwaarde moeilijkheid in concreto inhoud te geven. Men dient in ieder geval in een beschouwing hierover (zie slotoverweging hof) te vermijden een tekort schietende intrinsieke waarde als argument aan te voeren.'
Kort samengevat: de bedrijfswaarde van een deelneming is niet identiek aan de intrinsieke waarde daarvan. Bij de bedrijfswaardebepaling van een deelneming gaat het primair om het benaderen van de toekomstige waarde-ontwikkelingen voortvloeiend uit een normale exploitatie van de bedrijfsactiviteiten.