Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.8.1
2.2.8.1 Twintigste-eeuws (staats)burger
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977118:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 10 juli 1919, Stb. 1919, nr. 536 (Inwerkingtreding 28 september 1919).
Zie: ‘Opinie. Commentaar. In 2019 eeuwfeest kiesrecht vieren’, Trouw 14 november 2017.
Vgl. Van Gunsteren 2008.
Zie voor staatsburgerschap: E. Hirsch Ballin 2022, p. 20-32 (De stem van de burger).
Burkens 1969, p. 5.
Bureau Vrouwenbelangen 1974, p. 1.
Vgl. W.T. Eijsbouts, Onze primaire hoedanigheid, (oratie RUL), Utrecht: EI 2011.
Cf. Deen 1985 en I. de Haan, Zelfbestuur en Staatsbeheer. Het publieke debat over burgerschap en rechtsstaat in de twintigste eeuw, (diss. UvA), Amsterdam: AUP 1993.
Van politiek naar maatschappelijk burgerschap
Eind negentiende eeuw komen concepten van politiek burgerschap op die ook van toepassing worden geacht op de kleine burgerij: de middenstand, het ambacht, de arbeidersklasse en de ‘kleyne luyden’. De beperking van het politiek burgerschap tot geprivilegieerde censuskiezers is niet meer gerechtvaardigd. De realisering van algemeen kiesrecht in 1917 en actief vrouwenkiesrecht in 1919 - initiatiefwet-Marchant-1 vormt alpha & omega van de doorontwikkeling van rechten en plichten voor de burgerij.2
Maatschappelijk burgerschap
Burgerschap is, zoals gezegd, een psychosociale hoedanigheid van burgers om te kunnen participeren in en vorm te geven aan de maatschappij. Burgerschap laat zich analyseren in dimensies, waarvan het maatschappelijk burgerschap sociaal is gelaagd en cultureel gedifferentieerd.3 Daarnaast bestaan de politiek-juridische en economische dimensies: in de woon- en leefomgeving, in zorgsituaties, op school, in de democratische rechtsstaat, in de vrijemarkteconomie, in de acceptatie van verschillen en de culturele verscheidenheid.
Staatsburgerschap: constitutioneel burgerschap
Naast het materiële burgerschapsconcept staat het politiek of staatsburgerschap, dat wil zeggen het juridisch (constitutioneel) lidmaatschap van een politieke gemeenschap met de bijbehorende rechten, plichten en privileges.4 Het staatsburgerschap is egalitair: zo is in de heersende opvatting iedereen gelijk voor de wet (gelijkheidsbeginsel).5 Deze opvatting staat centraal in de verhandelingen over de staatsvorming. Het staatsburgerschap is verbonden met de klassieke vrijheidsrechten, de politieke rechten als het kiesrecht en de sociale rechten voor een groeiend aantal burgers.6 Het besef dat het staatsburgerschap toekomt aan de gehele burgerij dringt op het eind van de negentiende eeuw meer en meer in de samenleving door. Het is een kwestie van tijd totdat deze notie in de (grond)wetgeving verankerd is. Met de grotere bereikbaarheid van het (staats)burgerschap verandert gaandeweg de wijze van burgerschapsuitoefening. Burgerschap ondergaat begin van de twintigste eeuw kwalitatieve veranderingen. Meer of minder accenten in de verkrijging en uitoefening kleven aan die concepten en kwalificaties. Bij goed burgerschap hoort de participatie in de democratische rechtsstaat die gepaard gaat met de natievorming met eigen volkstaal en -cultuur.
Democratisering van burgerschap
De democratisering van burgerschap vanaf het begin van de twintigste eeuw valt samen met de ontwikkeling van de natiestaat als een volksgemeenschap en van de nachtwakersstaat (met het garanderen van de openbare orde en veiligheid) tot een democratische rechtsstaat, waarin de burgers het bestuur kiezen en iedereen zich aan het recht dient te houden. Met de codificatie in artikel 80 Gw van 1917 van het mannenkiesrecht en het passieve vrouwenkiesrecht en in artikel 83 Gw van 1922 van het actief vrouwenkiesrecht vinden het politiek burgerschap en de democratische rechtsstaat hun voltooiing.7 De rechtsstaat is er niet alleen om orde te handhaven en vrijheden te waarborgen, maar óók om een democratische entiteit te zijn, met burgers, wier stemmen gelijk tellen.8
Algemeen kiesrecht en evenredige vertegenwoordiging 1917
Het census- of cijnskiesrecht en het districtenstelsel hebben met de wijzigingen van de Grondwetten van 1917 en 1922, zoals gezegd, hun langste tijd gehad en zijn vervangen door het algemeen kiesrecht en een kiesstelsel met evenredige vertegenwoordiging. Het onderwijs in een gedeelde taal en cultuur en burgerschapsvorming stimuleren de ontwikkeling van de sociale cohesie als natiestaat. Het kweken van goed burgerschap gaat samen met het vergroten van de participatie in de democratische rechtsstaat, met de codificatie van de rechten en plichten en de rechtsbescherming als kern. Naast het onderwijzen in een gedeelde taal en cultuur richt het onderwijs zich meer op de persoonsvorming (Bildung) en – als burgerschapsvorming – op de toerusting van leerlingen met de vereiste democratische kennis, en sociale vaardigheden.9