Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.7.1
5.7.1 Binding met de Nederlandse rechtssfeer
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS430538:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 41 (MvT).
Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 43 (MvT). Zie bijv. Rb. Arnhem 1 december 2004, NIPR 2005, 161.
Volgens M. Freudenthal (Internationale bevoegdheid in erfrechtelijke zaken', Nieuw erfrecht 2003, p. 60) kan de Nederlandse nationaliteit van erfgenamen een voldoende band met Nederland opleveren.
Kennelijk anders Ktg. Amsterdam 27 april 2000, /V/PR 2000, 315 (gewezen onder 'oud' procesrecht). Vgl. American Law Institute/UNIDROIT-Principles of Transnational Civil Procedure, Principle 2.2 (te raadplegen via
Anders dan het absolute forum necessitatis (art. 9 sub b Rv) vereist het relatieve forum necessitatis (art. 9 sub c Rv) dat de zaak voldoende binding met Nederland heeft. De vereiste binding zal uit een andere aanknopingsfactor moeten bestaan dan die reeds in de wet is neergelegd (art. 2, 6 en 6a Rv). De rechter moet op dit punt grote terughoudendheid betrachten. Het is niet de bedoeling dat via een omweg een verkapt forum actoris wordt geschapen.1 Toch lijkt het erop dat de wetgever bij het opstellen van art. 9 sub c Rv vooral de belangen van in Nederland gevestigde eisers voor ogen heeft gehad. De Memorie van Toelichting bepaalt namelijk dat voldoende binding in ieder geval aanwezig is als de eiser zijn gewone verblijfplaats of, als het rechtspersonen betreft, zetel in Nederland heeft.2 In dergelijke gevallen gaat in art. 9 sub c Rv een forum actoris schuil. Er is echter een verschil met het exorbitante forum actoris van art. 126 lid 3 Rv oud. Art. 9 sub c Rv brengt een gerechtvaardigd forum actoris tot uitdrukking; de Nederlandse rechter is als forum actoris bevoegd, indien van de eiser niet gevergd kan worden buiten Nederland te procederen. Met uitzondering van erfrechtelijke zaken3 denk ik dat het niet gerechtvaardigd is om de door art. 9 sub
c Rv vereiste binding met Nederland te vinden in de Nederlandse nationaliteit van betrokkene(n). Voor rechtsmachtdoeleinden is nationaliteitsaanknoping in burgerlijke en handelszaken immers ongebruikelijk.4