Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.6
8.6 Toelaatbaar ≠ wenselijk
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609534:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. over de psychologische impact van verlofweigering Haentjens 2007, p. 49-50.
Paragraaf 5.4c; paragraaf 7.4c, zie voorts de conclusie van A-G Hofstee vóór en de noot van Van Kempen onder HR 17 december 2013, NJ 2014/301; zie algemeen A-G Knigge in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/241, bijv. onderdeel 5.5.12.; A-G Vellinga in zijn conclusie voor HR 11 september 2012, NJ 2013/244, onderdeel 12.
Hoofdstuk 6.
In de bestuursrechtelijke dogmatiek wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen feitelijk belang, rechtsbelang en procesbelang, en binnen de eerste categorie tussen onder meer persoonlijk, objectief bepaalbaar en eigen belang. Ook de relativiteitseis of Schutznorm wordt hiermee in verband gebracht, zie bijv. De Poorter 2003; De Poorter 2004 en De Poorter 2010a.
Reijntjes in noot onder HR 6 november 2012, NJ 2013/144; Van Kempen in noot onder HR 17 september 2013, NJ 2014/288; Schalken in noot onder HR 15 december 2015, NJ 2016/142.
Handelingen I 1993/94, 16-792 (Minister Hirsch Ballin, Wetsvoorstel wijziging Vreemdelingen wet, Kamerstukken 22735).
Dat verlofstelsels binnen zekere grenzen in hoger beroep en vooral cassatie in strafzaken toelaatbaar zijn, zegt nog niets over de wenselijkheid ervan. De discussie over de wenselijkheid van verlofstelsels kan juist pas echt zinvol worden gevoerd nadat conceptuele kwesties en vragen van toelaatbaarheid zijn opgehelderd. Hoewel dit boek zich nadrukkelijk richt op conceptuele en verdragsrechtelijke kwesties, wil ik ter afsluiting van dit boek toch enkele gedachten uitwerken over de wenselijkheid van inhoudelijke en vrije verlofstelsels in algemene zin.
Allerlei vragen dringen zich hierbij op. Als ontvankelijkheidsbeoordeling een inhoudelijk karakter krijgt en verlofweigering dus een inhoudelijk oordeel over het beroep impliceert, wordt het systeem van beslissen in beroep dan niet te diffuus? Voor procespartijen, met eventuele gevolgen voor aanvaarding van de rechterlijke beslissing?1 Voor de rechter, die ambtshalve toetsing en kennisneming van standpunten van bijvoorbeeld slachtoffers wellicht knarsetandend achterwege laat, dan wel naar wegen zoekt om dit niet te doen?2 En voor de wetgever, met weeffouten in wetgeving als gevolg (vgl. art. 410a Sv)?3 Als ontvankelijkheidsbeoordeling een discretionair karakter krijgt, hoe verhoudt zich dat tot het legaliteitsbeginsel? Welke algemene en/of particuliere belangen moeten de toegang tot beroep bepalen, en is een belangcriterium als zodanig vanwege onder meer ambiguïteit wel bruikbaar?4 En is enig belangcriterium in strafzaken überhaupt wel wenselijk?5 Tot slot: zijn verlofstelsels in de zin van inhoudelijke of vrije voorzieningen voor ontvankelijkheidsbeoordeling inderdaad (nog) ‘wezensvreemd’ in de Nederlandse rechtspleging6 – en wat is eigenlijk de betekenis van dat argument?
Het voert te ver deze normatieve vragen hier uitgebreid te bespreken, ook al zijn dit de vragen waaraan beleid, wetgeving en jurisprudentie uiteindelijk worden geijkt. Beantwoording van genoemde vragen vereist in mijn ogen een uitgewerkt theoretisch kader over de doeleinden van rechtsmiddelen, over het (mogelijk bijzondere) karakter van procesrecht in strafzaken en diverse andere kwesties. Hoewel onderzoek naar dergelijke theoretische perspectieven op verlofstelsels en rechtsmiddelen zeer nuttig zou zijn, is dit boek niet de plaats ervoor. In plaats daarvan concentreer ik mij ter afsluiting op de uitwerking van één betrekkelijk neutraal argument: de effectiviteit van verlofstelsels. Wat op zijn minst mag worden verwacht van wetgeving is dat zij effectief is, ongeacht of men instemt met de ratio en mits zij binnen de grenzen van hoger recht blijft. Ineffectieve of averechtse wetgeving is irrationeel, vergroot kosten en onduidelijkheid en lijkt mij daarom niet in het algemeen belang.
8.6.a Werklastbeheersing als doel8.6.b Werklast en verlofstelsels8.6.c Werklast en fasering8.6.d Werklast en instroom8.6.e De achterkant van werklastbeheersing