Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.4.2
9.8.4.2 Toekenning van het enquêterecht bij overeenkomst
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373447:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In 1988 wijst de SER al op de mogelijkheid dat aan de ondernemingsraad door de vennootschap bij statuten of overeenkomst de enquêtebevoegdheid kan worden toegekend. Zie SER-advies 1988/14, p. 70.
Concept-MvT wetsvoorstel aanpassing enquêterecht, p. 11. (te raadplegen op: www.internetconsultatie.nl/enqueterecht).
Van Beurden, e.a. (2009), p. 87-88. Ook de werkgroep medezeggenschap van de VvA beveelt aan de bevoegdheden van de ondernemingsraad met het enquêterecht te verruimen. Zie Witteveen, e.a. (2009), p. 119-129.
Het schade- en kostenverhaal speelt niet als het bestuur het enquêterecht aan de ondernemingsraad toekent in een enquêteovereenkomst als bedoeld in art. 2:346 lid 1 sub e BW.1 Een dergelijke grondslag, die uitsluitend bestaat wanneer de rechtspersoon daarmee instemt, impliceert dat de rechtspersoon aanvaardt dat geen verhaal op de ondernemingsraad mogelijk is en hij de kosten van het onderzoek zelf draagt.2 Het bestuur zal echter alleen overgaan tot toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad in een specifiek geval en met een bepaald doel voor ogen. Nu de rechtspersoon zelf sinds 1 januari 2013 beschikt over de enquêtebevoegdheid, zal ad hoc toekenning van de bevoegdheid aan de ondernemingsraad naar mijn verwachting minder vaak voorkomen. Wanneer het gedrag van aandeelhouders ter discussie staat, heeft de vennootschap de tussenkomst van de ondernemingsraad niet nodig; zij kan zelf een enquêteverzoek indienen en optreden tegen de activistische aandeelhouder(s).
Maar wat zijn de mogelijkheden voor de werknemers als het bestuur geen enquêteverzoek indient, omdat de oorzaak van het wanbeleid mede bij het bestuur zelf ligt? Men denke aan de situatie waarin de aandeelhouders een bepaald activistisch beleid voor ogen staat en het bestuur dit beleid uitvoert, zoals in de PCM-zaak. In overnamesituaties kan het bestuur zo dicht bij de aandeelhouder staan, dat het bestuur niet bereid is om namens de vennootschap een enquêteverzoek in te dienen, terwijl dit gelet op het belang van de vennootschap wel gewenst of zelfs noodzakelijk is. Wanneer de betrokken vakorganisatie (zo die er is) niet bereid is om naar de OK te gaan, staat de ondernemingsraad met lege handen. Het advies- en beroepsrecht bieden de ondernemingsraad immers geen uitweg wanneer sprake is van ernstige tekortkomingen in het beleid van het bestuur of als het bestuur in een patstelling verkeert waardoor verdere besluitvorming blokkeert. Voorts zijn tal van beleidsbeslissingen die rechtstreeks het belang van de vennootschap en daarmee van haar werknemers raken, niet onderworpen aan het advies- of instemmingsrecht van de WOR. Voor deze situaties is de enquêtebevoegdheid van de ondernemingsraad mijns inziens van toegevoegde waarde. Uit een onderzoek uit 2009 naar de onderbenutting van medezeggenschapsbevoegdheden blijkt ook dat de onderzoekers de wetgever (weliswaar voorzichtig) aanbevelen om de “strategische mogelijkheden” van de ondernemingsraad beter in de wet te verankeren door middel van de toekenning van de enquêtebevoegdheid.3 Tot slot meen ik dat het enquêterecht een aanvulling is op de bevoegdheden van de ondernemingsraad wanneer het gaat om de toetsing van het beleid van de aandeelhoudersvergadering of andere organen. Zijn bevoegdheden in de WOR zijn namelijk gekoppeld aan (voorgenomen) besluiten van enkel het bestuur.