De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.3.3.1:5.3.3.1 De wettelijke bevoegdheid als rechtvaardigingsgrond: algemeen
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.3.3.1
5.3.3.1 De wettelijke bevoegdheid als rechtvaardigingsgrond: algemeen
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284517:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Jansen 2019a, nr. 7.3.1.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
271. In het algemene civiele aansprakelijkheidsrecht is het niet vreemd aan te nemen dat op zichzelf onrechtmatig en schadeveroorzakend gedrag desondanks is toegestaan. Voor een rechtsinbreuk of met het (on)geschreven recht strijdig handelen bestaat geen aansprakelijkheid als daartoe een rechtvaardigingsgrond bestaat. Dit volgt met zoveel woorden uit art. 6:162 lid 2 BW:
“Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.”
Art. 6:162 lid 2 BW staat op zichzelf genomen onrechtmatig handelen (dus in enge zin) onder meer toe als de wet voor dat handelen een wettelijke grond biedt: de wettelijke bevoegdheid. Die rechtvaardigingsgrond kent de volgende vier cumulatieve voorwaarden:
De wettelijke bevoegdheid in kwestie gold ten tijde van de verweten handelwijze (verbindendheid);
De wettelijke bevoegdheid was van toepassing op het voorliggende feitencomplex (toepasselijkheid);
De gewraakte gedraging werd ‘gedekt’, gerechtvaardigd, door de wettelijke bevoegdheid (strekking);
Aan de voorwaarden voor het gebruik van die bevoegdheid is voldaan (naleving).1
272. De civielrechtelijke term ‘wettelijke bevoegdheid’ wekt in de context van het besluitenaansprakelijkheidsrecht mogelijk enige verwarring. In het bestuursrecht ziet de term ‘bevoegdheid’ erop dat het bestuur binnen de hem toekomende beslissingsvrijheid de mogelijkheid heeft een besluit te nemen. Het civielrechtelijke begrip ‘wettelijke bevoegdheid’ is vanwege de eisen van toepasselijkheid en naleving strenger: de bevoegdheid moet van toepassing zijn en aan de door de wet gestelde voorwaarden voor het gebruik van de wettelijke bevoegdheid moet ook materieel zijn voldaan (eisen (ii) en (iv)). Dat komt hierna nog verder aan de orde (§5.3.3.3). Ik houd – ondanks de mogelijke verwarring – vast aan de term ‘wettelijke bevoegdheid’. Introductie van weer een andere term maakt de zaken nog ingewikkelder dan ze al zijn.
273. Het beroep op rechtvaardigingsgronden, zoals de wettelijke bevoegdheid, is een bevrijdend verweer. Het overheidslichaam moet daarom ex art. 150 Rv stellen en bewijzen dat aan de eisen daarvoor is voldaan.