Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/5.3.3.2
5.3.3.2 De wettelijke bevoegdheid in het civiele en het overheidsaansprakelijkheidsrecht
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284570:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een fraai voorbeeld Hof Leeuwarden 2 december 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BG6578, JA 2009/34 (X/Politiecorps Drenthe). Dezelfde constructie hanteert de Hoge Raad in HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, NJ 2003/615 m.nt. M. Scheltema (Staat/Lavrijssen). Een huiszoeking overeenkomstig de regels van strafvordering is op zich rechtmatig, want door de regels van strafvordering gerechtvaardigd. Toch kan het toebrengen van schade nog strijden met het evenredigheidsbeginsel en daarom onrechtmatig zijn. De onrechtmatigheid schuilt dan in het handelen in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zie daarover uitvoerig ยง8.4.2.1.2.
Zie Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 92. PG Boek 6, p. 617.
HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0242, NJ 2012/262 (Trafigura).
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, AB 2019/519, m.nt. C.N.J. Kortmann (Groninger Gaswinning).
Jansen 2019a, aant. 7.3.1.6.
Interessant is dat Van der Kooij deze arresten ook in verband brengt met de huidige door de Hoge Raad en ABRvS aangehouden jurisprudentielijn over causaal verband in het besluitenaansprakelijkheidsrecht en wijst op hun normatieve gelijkenis: Van der Kooij 2019, nr. 444.
Zie HR 19 juni 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9901, NJ 1988/91, m.nt. W.C.L. van der Grinten (IDN/SWU); HR 3 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8108, NJ 2001/108, m.nt. A.R. Bloembergen (EBS/Groenewegen Agro); HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5099, NJ 2011/392 (Stichting Afvaloven Nee/OMRIN) en HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, NJ 2017/265 (Deve Pluimveebedrijf/ B.).
HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5099, NJ 2011/392 (Stichting Afvaloven Nee/OMRIN), rov. 3.4.
Over deze jurisprudentielijn is in de literatuur nauwelijks geschreven. Groen laat in het midden in welke sleutel het beroep op de mogelijkheid tot handelen met vergunning geplaatst moet worden, maar meent dat de laedens zich โmet succes tegen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan verwerenโ (Groen 1977, p. 17). Grundmann-van der Kroll houdt het erop dat eerst aansprakelijkheid kan ontstaan indien niet aan de vergunningvereisten is voldaan (Grundmann-van der Kroll 2012, p. 819). Van der Kooij plaatst de jurisprudentielijn, begrijp ik hem goed, meer in de relativiteitssleutel omdat volgens hem het vergunningsstelsel in die gevallen niet wil beschermen tegen de ingetreden schade (Van der Kooij 2019, nr. 440).
Overigens kan de civielrechtelijke norm breder zijn dan het publiekrecht dekt. Dat kan het geval zijn bij onrechtmatige hinder ex art. 5:37 BW. Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens de Hoge Raad namelijk afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij is het beschikken over, of juist het ontbreken van, een publiekrechtelijk vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor het antwoord op de vraag of jegens een bepaalde derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder. Zie HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, AB 2018/117, m.nt. C.N.J. Kortmann (Stankoverlast legkippen). Deze problematiek is voor het hier onderzochte onderwerp niet relevant.
Interessant is dat een vergelijkbaar geval voor Van Gelein Vitringa de reden vormde om de relativiteitsleer te verdedigen. In het arrest HR 23 maart 1917, ECLI:NL:HR:1917:82, NJ 1917, p. 449 (Deen/Lindenbaum) ging het om een door een drukkerij van Lindenbaum (inderdaad degene van het latere standaardarrest) veroorzaakte hinder. Buurman Deen meende dat deze hinder onrechtmatig was, omdat Lindenbaum niet over een daartoe noodzakelijke vergunning beschikte. Volgens Van Gelein Vitringa (Van Gelein Vitringa 1919, p.33) bestaat daartoe geen grond als de daartoe vereiste hinderwetvergunning zou zijn verleend en dezelfde schade zou hebben veroorzaakt. Hij meende dat de relativiteitsleer hier de oplossing bood. Deze benadering spreekt in de (huidige) relativiteitstoets minder aan, omdat die toets zich richt op de strekking van de geschonden norm โ in dit geval het verbod op hinder. Het overtuigt mij niet te zeggen dat die norm niet strekt tot bescherming tegen de door Deen ondervonden hinder. Daartegen beschermt die norm op zichzelf wel. Het is daarom begrijpelijker deze gevallen te plaatsen binnen de leer van de rechtvaardigingsgronden: de vergunning rechtvaardigt โ in beginsel โ de hinder.
274. Voor het algemene civiele aansprakelijkheidsrecht verklaart het leerstuk van de wettelijke bevoegdheid allereerst waarom de laedens niet ieder alternatief gedrag dat de schade ook zou hebben veroorzaakt als normatief verweer mag aanvoeren, hoezeer ook aannemelijk is dat de laedens zo zou hebben gehandeld. De in hoofdstuk 3 ten tonele gevoerde in de rug schietende politieman mag zich niet beroepen op het alternatieve schieten in de knie. De wettelijke bevoegdheid moet namelijk zien op het voorliggende feitencomplex. Een alternatieve schadeveroorzakende gebeurtenis kan dus geen rechtvaardiging zijn (toepasselijkheidsvereiste). De toets verklaart ook waarom de politieman zich niet mag beroepen op het in het leven roepen van een hypothetische wettelijke grondslag voor het schieten in de rug. Die grondslag bestond namelijk niet ten tijde van het schieten in de rug (verbindendheidsvereiste) (zie hierover ook ยง3.5.2 en 3.8).
Het civiele aansprakelijkheidsrecht werkt ook bij allerhande ander overheidsoptreden al met de wettelijke bevoegdheid om de rechtmatigheid van op zichzelf onrechtmatig overheidsgedrag te verklaren. Dit is bijvoorbeeld zichtbaar bij rechtsinbreuk makend politieoptreden, zoals huiszoekingen, gedwongen lichamelijke onderzoeken en het in bedwang houden van agressieve arrestanten. Dat gedrag is uiteraard om tal van redenen op zichzelf onrechtmatig: het vormt een inbreuk op het eigendomsrecht, het schendt fundamentele rechten etc. Dat gedrag is ex art. 6:162 lid 2 BW gerechtvaardigd door de wettelijke bevoegdheid daartoe.1 Ook binnen het besluitenaansprakelijkheidsrecht zagen we deze constructie al. In ยง5.3.2.2 bleek dat het nemen van onteigeningsbesluiten, de vestiging van voorkeursrechten, het opleggen van bouwverboden etc. vanwege hun rechtsinbreukmakende karakter op zichzelf onrechtmatig is. Desondanks is het geldig nemen van zoโn besluit โ en dus het daardoor veroorzaken van schade โ rechtmatig vanwege de wettelijke bevoegdheid daartoe.2
275. De Hoge Raad hanteert voornoemde methode ook bij overheidshandelen dat sterk lijkt op het nemen van besluiten. Een fraai voorbeeld is het Trafigura-arrest.3 Het Openbaar Ministerie verstrekt in een civielrechtelijke procedure informatie aan Leigh Day, de wederpartij van Trafigura. Het Openbaar Ministerie baseert die verstrekking op art. 21 lid 6 Wet economische delicten (โWedโ). Volgens Trafigura is de informatieverstrekking onrechtmatig, omdat art. 21 lid 6 Wed daartoe onvoldoende grondslag biedt. Men zou dus kunnen zeggen dat het โbesluitโ tot informatieverstrekking, ware daarvan in bestuursrechtelijke zin sprake geweest, ongeldig was. Het hof oordeelt echter dat de informatieverstrekking desondanks rechtmatig is, omdat, samengevat, art. 39f lid 1 Wet justitiรซle en strafvorderlijke gegevens (โWjsgโ) daartoe wel voldoende grondslag biedt. Die bepaling vormt dus weliswaar niet de oorspronkelijke door het Openbaar Ministerie beoogde grondslag voor de informatieverstrekking, maar rechtvaardigt die verstrekking wel. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand, omdat het hof de juistheid van de grondslag van de vordering (onrechtmatige daad) moet onderzoeken:
โHet onderzoek naar een toereikende wettelijke grondslag van die gedraging betreft de rechtsgrond van de door Trafigura ingestelde vorderingen [onrechtmatige daad, PF], welke beoordeling ook achteraf en zelfstandig door de rechter kan geschieden. Reeds daarom was het hof niet gehouden dit onderzoek te beperken tot de wetsbepaling waarop de officier van justitie de verstrekking van de gegevens had gebaseerd.โ
Dit arrest illustreert dat de (beoordeling van de) rechtmatigheid van het overheidshandelen niet afhangt van de publiekrechtelijke geldigheid daarvan, maar doorslaggevend is of voor het handelen โ de informatieverstrekking โ als zodanig in de gegeven omstandigheden een wettelijke grondslag, en dus de wettelijke bevoegdheid, bestond.
276. Een ingewikkeldere vorm van hetzelfde principe is terug te zien in de prejudiciรซle beslissing van de Hoge Raad in Groninger Gaswinning.4 Daarin stellen omwonenden van het gaswinningsgebied in Groningen onder meer de Staat aansprakelijk voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van een door de Staat genomen instemmingsbesluit. Krachtens dat besluit stemt de Staat in met een door de exploitanten voorgestelde winning van een bepaalde hoeveelheid gas uit het Groningerveld. Volgens de omwonenden heeft de Staat ingestemd met een gaswinningsomvang die tot aardbevingen en daarmee tot hun schade heeft geleid. De Staat beroept zich op de formele rechtskracht van het instemmingbesluit. Volgens de Hoge Raad moet echter een onderscheid gemaakt worden tussen de formele geldigheid van het besluit en de rechtmatigheid daarvan. Vervolgens overweegt de Hoge Raad als volgt:
โ2.8.5 (โฆ) Blijkens art. 36 [Mijnbouwwet] dient de minister het door hem met betrekking tot het winningsplan te geven instemmingsbesluit te baseren op een afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang van de veiligheid van de omwonenden en van het voorkomen van schade enerzijds en de belangen van de winning van gas anderzijds. De minister mag blijkens de wet laatstgenoemde belangen zwaarder laten wegen, mits dat niet tot onevenredige gevolgen leidt voor degenen die nadeel ondervinden van de winning (art. 3:4 lid 2 Awb). De minister komt bij deze afweging toe.
Dit toetsingskader brengt mee dat de minister, zij het binnen de genoemde grenzen, de mogelijkheid heeft om rechtsgeldig in te stemmen met een winningsplan waarmee rechten van omwonenden worden aangetast, ook als het winningsbelang op zichzelf geen rechtvaardiging voor die aantasting oplevert. Dit kader sluit daarmee niet uit dat de Staat, ook als het instemmingsbesluit rechtsgeldig is, onrechtmatig jegens de omwonenden handelt. Uit de wettelijke regeling van dit kader volgt immers niet dat de genoemde aantasting in het geval van een rechtsgeldig besluit ook steeds als rechtmatig moet worden aangemerkt jegens de omwonenden, maar uitsluitend dat rechtsgeldig, en dus onaantastbaar, met het winningsplan kan worden ingestemd, hoewel daardoor aantasting van rechten van omwonenden plaatsvindt.โ
In de onderstreepte passage is terug te zien dat de Hoge Raad nagaat of de grondslag voor het geldige besluit ook een rechtvaardiging vormt voor de aantasting van de rechten van omwonenden. Dat is volgens de Hoge Raad niet het geval. Er is, zo begrijp ik de passage, niet voldaan aan de derde eis van het wettelijke bevoegdheidsleerstuk: de gewraakte gedraging wordt vanwege de onevenredige gevolgen daarvan voor de burgers niet โgedektโ, gerechtvaardigd, door de wettelijke bevoegdheid daartoe. Het nemen van het winningsbesluit kan dus ondanks de bestuursrechtelijke geldigheid ervan wegens het ontbreken van een civielrechtelijke rechtvaardigingsgrond daarvoor toch onrechtmatig zijn jegens de omwonenden. Overigens is deze situatie uitzonderlijk te noemen. Als uitgangspunt is een geldig bezwarend besluit natuurlijk ook rechtmatig, juist omdat daarvoor een publiekrechtelijke grondslag bestaat.
277. De Hoge Raad hanteert een vergelijkbare constructie in casus waarin burgers onderling een beroep doen op aan het publiekrecht ontleende bevoegdheden ter rechtvaardiging van op zichzelf onrechtmatig handelen. Dat is bijvoorbeeld het geval als een burger schadeveroorzakende vergunningsplichtige activiteiten onderneemt. Dat gedrag is als uitgangspunt uiteraard onrechtmatig, omdat (i) het strijdt met het algemene verbod dat aan die vergunningsstelsels is verbonden en (ii) veelal sprake is van een rechtsinbreuk of van onrechtmatige hinder ex art. 5:37 BW. Als de burger daartoe de gestelde vergunning heeft, geldt die vergunning als de wettelijke bevoegdheid die het gedrag in beginsel rechtvaardigt.5 Dat gedrag is volgens de Hoge Raad ook rechtmatig als het handelen in overeenstemming is met een later daartoe verleende vergunning waarvan ten tijde van het handelen al voldoende duidelijk was dat deze zou worden verleend.6 Biedt de vergunning geen dekking, dan is het gedrag wel onrechtmatig.7 Het is niet helemaal duidelijk in welke sleutel de Hoge Raad deze lijn plaatst, maar de overwegingen hebben wel alle kenmerken van een gehonoreerd beroep op de wettelijke bevoegdheid:
โIndien een vergunning wordt verleend waarbij het betrokken handelen wordt toegestaan, is dat handelen dus geoorloofd te achten vanuit het oogpunt van de belangen die het vergunningvereiste beoogt te beschermen. Dat betekent dat in het geval dat met voldoende mate van zekerheid is te verwachten dat een vergunning zal worden verleend waarbij het betrokken handelen wordt toegestaan ervan kan worden uitgegaan dat dit handelen in dit opzicht geoorloofd is.โ8
278. Men herkent hierin de hiervoor genoemde wettelijke bevoegdheidscriteria. De Hoge Raad gaat na of de vergunning verleend kon worden (verbindendheid en toepasselijkheid), het gedrag gerechtvaardigd is in het licht van het beschermingsdoel van het vergunningsvereiste (strekking) en of de laedens (in ieder geval materieel) aan de eisen voor de vergunningverlening voldeed (naleving). Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat het gedrag daarom geoorloofd was. Ik lees in dat โgeoorloofdโ: gerechtvaardigd.9 Niet het bestaan van het geldige besluit als zodanig, een geldige vergunning, is dus bepalend voor de rechtmatigheid van het gedrag van de vergunningsplichtige. Doorslaggevend is of het gedrag als zodanig gerechtvaardigd is10 door de aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid daartoe die later heeft geresulteerd in een vergunning.11 Anders gezegd: voldoende is dat het vergunningstelsel het vertoonde gedrag op zich toestaat, omdat materieel aan alle wettelijke bevoegdheidseisen is voldaan.
279. Het schadeveroorzakende gedrag hoeft volgens mij niet steeds volledig gedekt te zijn door een wettelijke bevoegdheid. Stel dat een vergunning zou worden verleend voor de uitstoot van 1000 gram giftige stof, terwijl de wet slechts een vergunning voor de uitstoot van 500 gram toestaat. De hiervoor besproken jurisprudentie impliceert volgens mij dat de uitstoot tot 500 gram dan wel gerechtvaardigd is, ook al ziet de vergunning ten onrechte op 1000 gram. Het uitstoten door de vergunninghouder tot 500 gram is dan door de verleende vergunning gerechtvaardigd. De uitstoot boven de 500 gram is wel onrechtmatig.
280. Het wettelijke bevoegdheidsleerstuk laat het dus volgens mij toe dat een deel van het gedrag door een wettelijke bevoegdheid gerechtvaardigd is en een deel niet. In normatief opzicht verschilt dit volgens mij ook niet van de casus uit de hierboven beschreven jurisprudentie waarin bepaald gedrag van de burger pas later in de tijd daadwerkelijk door een vergunning gedekt wordt. Het daaraan voorafgaande gedrag kan ook gedekt zijn, als ten aanzien daarvan aan de eisen van de wettelijke bevoegdheid materieel is voldaan. In beide situaties gaat men dus na in hoeverre het vertoonde gedrag materieel door de wettelijke bevoegdheid daartoe gerechtvaardigd wordt.