Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/8.6.2
8.6.2 Een zekerheidsrecht als sterkste recht
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS391808:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat laat uiteraard onverlet dat de pandhouder wel een goederenrechtelijke rechtsvordering tot afgifte toekomt. Deze vordering ter bescherming van het verpande goed – te vergelijken met de actio Serviana – die is opgenomen in art. 3:245 BW zal in de regel evenwel niet worden ingesteld tegen andere beperkt gerechtigden, maar tegen een derde die de macht over het goed heeft verkregen.
Overigens komt aan iedere pand- en hypotheekhouder van rechtswege het recht van parate executie toe. Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/156 en 397 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/541.
Zie PG Boek 3, p. 838 waarin de wetgever uitdrukkelijk een dubbele eis stelt voor de zuivering: levering én voldoening koopprijs. Zie voorts Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/424 en Huijgen 2016/28. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat ook de ingeschreven beslagen vervallen.
Overigens kan de hypotheekhouder er niettemin voor kiezen om het goed bezwaard met beperkte rechten aan te bieden. Zie PG Boek 3 BW, p. 838.
Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/156 en Snijders & Rank-Berenschot 2017/541.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/887. Uiteraard is wel vereist dat ook de hoger gerangschikte hypotheekhouder een opeisbare hypothecaire vordering heeft. Zie over de toepassing van art. 3:270 lid 3 BW Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/901.
Een uitdrukkelijke wettelijke bepaling ontbreekt, maar dit rechtsgevolg kan worden afgeleid uit art. 3:253 lid 1 BW en art. 490b Rv. Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/158 en Steneker 2012/31.
Executie kan eveneens plaatsvinden door openbare of onderhandse verkoop als bedoeld in art. 3:250 BW respectievelijk 3:251 BW. Aan deze wijze van executie wordt wel de voorkeur gegeven indien de verpande vordering nog niet opeisbaar is of indien het toekomstige periodieke vorderingen betreft die nog lange tijd zouden moeten worden geïnd. Zie Steneker 2012/56.
Dit is bij pandrecht op vorderingen niet anders dan bij pandrecht op roerende zaken. Verwezen kan worden naar art. 3:253 lid 1 BW jo. art. 490b Rv. De pandhouder die de vordering int, mag het geïnde niet als het zijne beschouwen vanwege het toe-eigeningsverbod van art. 3:235 BW. Daarom vindt zaaksvervanging plaats als bedoeld in art. 3:246 lid 5 BW. Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/829 en Zwalve 2014, p. 533.
Onder het oude recht ontbrak een dergelijke regeling. De wetgever van het huidige BW merkt op dat deze regeling is ingegeven door de billijkheid. Zie PG Boek 3 BW, p. 859. Door Meijers was deze regeling specifiek in het kader van registergoederen voorgesteld. Zie PG Boek 3 BW, p. 826. Deze regel is uiteindelijk vervat in een algemene regel van dezelfde strekking.
Zie PG Inv. Boek 3 BW, p. 1387.
Zie PG Inv. Boek 3 BW, p. 1387.
Zie Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/741. Een hiermee vergelijkbare voorrang komt toe aan de huurder wiens recht door inroeping van het huurbeding door executie verloren gaat. Zie hierover hierna par. 9.3.1. Ook de huurkoper van een onroerende zaak geniet een vergelijkbare voorrang. Zie het per 1 januari 2017 (Stb. 2016, 360) ingevoerde tweede lid van art. 3:282 BW.
Zie PG Boek 3 BW, p. 859.
Zie ook Snijders & Rank-Berenschot 2017/710.
De rechten van pand en hypotheek strekken ertoe zekerheid aan een schuldeiser te verschaffen. Indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het zekerheidsrecht tot waarborg strekt, is de beperkt gerechtigde bevoegd tot parate executie. Zo lang de zekerheidsgerechtigde niet tot executie overgaat, kan een beperkt zekerheidsrecht probleemloos naast een ander beperkt recht bestaan.1 Eerst als het tot een executie komt, moet worden vastgesteld of het goed vrij van beperkte rechten kan worden uitgewonnen. Het gevolg van een executie voor de op het goed rustende beperkte rechten maakt duidelijk hoe de prioriteitsregel gestalte krijgt indien een zekerheidsrecht de hoogste plaats in de rangorde inneemt.2
Voor hypotheek bepaalt art. 3:273 BW dat door executie – meer specifiek door levering aan de koper en voldoening van de koopprijs – het goed wordt gezuiverd van alle hypotheken alsmede van de beperkte rechten die niet tegen de hypotheekhouder kunnen worden ingeroepen.3 Alle beperkte rechten gaan dus teniet door de uitoefening van het executierecht door de hypotheekhouder als oudst gerechtigde.4 Voor genotsrechten is hun plaats in de rangorde derhalve bepalend voor het antwoord op de vraag of zij de executie overleven. Hypotheken gaan ongeacht hun plaats in de rangorde teniet, maar de prioriteitsregel bepaalt in beginsel de wijze waarop de executieopbrengst zal worden verdeeld. Iedere hypotheekhouder is bevoegd om van het recht van parate executie gebruik te maken.5 Niettemin zal in de regel de hoogst gerangschikte hypotheekhouder de executie op grond van art. 544 lid 3 Rv van een lagere overnemen, omdat hij dan met toepassing van art. 3:270 lid 3 BW uitkering van de opbrengst kan krijgen zonder dat de totstandkoming van een rangregeling moet worden afgewacht.6
Ook ten aanzien van pandrechten geldt dat door executie door de hoogst gerangschikte pandhouder de lager gerangschikte rechten teniet gaan.7 Anders dan bij hypotheek heeft de executie evenwel geen zuiverende werking. Uit art. 3:248 lid 3 BW volgt immers dat een lager gerangschikte pandhouder de zaak slechts met handhaving van de hoger gerangschikte rechten kan verkopen. Het gevolg van deze regeling is dat de facto alleen de hoogst gerangschikte pandhouder tot executie zal overgaan omdat voor de koop van een goed dat met een pandrecht is bezwaard geen belangstelling zal bestaan.8 In dat geval gaan de pandrechten alsmede de jongere beperkte genotsrechten door de executie teniet. Indien het pandrechten op een vordering betreft, vindt de uitwinning in de regel plaats doordat de pandhouder de vordering int, om zich vervolgens overeenkomstig zijn rang op het geïnde te verhalen.9 Volgens art. 3:246 lid 3 BW is alleen de hoogst gerangschikte pandhouder, mits hij van de verpanding mededeling heeft gedaan aan de schuldenaar van de verpande vordering, inningsbevoegd. De hoogst gerangschikte pandhouder die zich op het geinde heeft verhaald dient het overschot aan de jongere pandhouder ter beschikking te stellen, wiens recht immers ingevolge art. 3:246 lid 5 BW op het geïnde komen te rusten.10 Een jonger recht van vruchtgebruik zal door de executie komen te vervallen.
Aan degene wiens genotsrecht niet tegen de zekerheidsnemer kon worden ingeroepen en als gevolg daarvan bij de executie is komen te vervallen, is door de wetgever met het bepaalde in art. 3:282 BW enigszins tegemoet gekomen.11 De gedupeerde beperkt gerechtigde komt ingevolge deze wetsbepaling namelijk een schadevergoedingsvordering toe die bij voorrang onmiddellijk na de hoger gerangschikte beperkte rechten uit de executieopbrengst wordt voldaan. Hoewel het recht in goederenrechtelijke zin vervalt, komt aan de gerechtigde nog wel de waarde toe die het vervallen recht had ten tijde van de executie.12 Voor de duidelijkheid moet worden opgemerkt dat de executieopbrengst wel toereikend moet zijn om daarop behalve de vordering van de hoogst gerangschikte zekerheidsnemer ook nog de schade ter zake van het vervallen beperkte recht te kunnen verhalen. Indien na verhaal door de zekerheidsnemer nog een deel van de executieopbrengst resteert, komt bij de verdeling van deze opbrengst aan de jongere vervallen beperkt gerechtigden van rechtswege – dat wil zeggen zonder dat daartoe beslag hoeft te worden gelegd – een vergoeding toe overeenkomstig hun rang.13 Het recht om onmiddellijk na de hoger gerangschikte rechten een vergoeding uit de netto-executieopbrengst te krijgen betreft een vorm van ‘andere in de wet aangegeven gronden’ van voorrang zoals bedoeld in art. 3:278 lid 1 BW.14 Als gevolg van deze regeling vindt de prioriteitsregel niet alleen zijn weerslag in de rangorde voorafgaand aan een executie, maar tevens ter zake van de verdeling van de executieopbrengst. De verhaalsvoorrang ten behoeve van het beperkte genotsrecht is voor de verwezenlijking van de prioriteitsregel met name cruciaal in de situatie waarin een beperkt genotsrecht zich in rang tussen twee zekerheidsrechten bevindt. Dat laat zich naar het voorbeeld van de wetgever treffend illustreren vanuit de verhaalspositie van de tweede zekerheidsnemer.15 Deze zekerheidsnemer kan op zijn beurt het bezwaarde goed slechts onder de last van het genotsrecht executeren. Bij de executie door de eerste zekerheidsnemer zal het genotsrecht daarentegen komen te vervallen, hetgeen resulteert in een hogere executieopbrengst. Indien de tweede zekerheidsnemer onmiddellijk na de eerste zekerheidsnemer verhaal zou kunnen nemen, profiteert hij ten nadele van de gerechtigde tot het vervallen genotsrecht van deze hoge executieopbrengst.16 De wetgever neemt met deze voorrangsregel terecht tot uitgangspunt dat de tweede zekerheidsnemer ook bij de verdeling van de executieopbrengst het genotsrecht heeft te respecteren.