Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3:9.3 Bewijslast en bewijslastverdeling bij centrale stellingen
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3
9.3 Bewijslast en bewijslastverdeling bij centrale stellingen
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940191:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de historische achtergrond van de erkenning van dit van oorsprong strafrechtelijke beginsel paragraaf 3.5, in het bijzonder paragraaf 3.5.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bewijslastverdeling ten aanzien van de centrale stellingen wijkt fundamenteel af van de bewijslastverdeling zoals die geldt binnen het algemene fiscale recht. In de sfeer van de heffing bepaalt het antwoord op de vraag welke partij zich op een bepaald rechtsgevolg beroept, op wie de primaire bewijslast rust. Bij de centrale stellingen in het kader van de boeteoplegging rust de bewijslast te allen tijde volledig op de inspecteur. Anders dan in de sfeer van de heffing, is het op voorhand dus altijd duidelijk welke partij het bewijs moet leveren dat het beboetbare feit is begaan: dat is de inspecteur. De juridische verklaring voor dit essentiële verschil in bewijslastverdeling is gelegen in de onschuldpresumptie.1 Deze waarborg, die wordt gegarandeerd door art. 6 lid 2 EVRM, geldt wél in de sfeer van de boete, maar niet in de sfeer van de heffing.
9.3.1 Betekenis van de onschuldpresumptie voor de bewijslastverdeling9.3.2 De schuldgradatie (de mate van verwijtbaarheid)9.3.3 Het kale beboetbare feit9.3.4 Het kwaliteitsvereiste, deelnemingsvormen en de toerekeningsproblematiek9.3.5 Conclusies