Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.4.2.2
5.4.2.2 Constructie
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186774:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Pabbruwe 1985, p. 494.
Pabbruwe 1990, p. 287.
Pabbruwe 1998, p. 767.
A. van Hees 1989, p. 80.
Van Grevenstein 1985, p. 263.
Zwitser 1995, p. 584.
Cahen 2004, nr. 24.
Pabbruwe 1985, Pabbruwe 1992 en Pabbruwe 1997. Wanneer de achterstelling is vormgegeven in een overeenkomst waarbij junior, senior en debiteur alle drie partij zijn is er volgens Pabbruwe geen sprake van een derdenbeding, Pabbruwe 1997, p. 377.
Het is niet duidelijk of dit een gewijzigde opvatting is ten opzichte van zijn eerdere publicaties. Zie enerzijds de bronnen genoemd in de vorige noot, anderzijds Pabbruwe 1998, p. 770 en Pabbruwe 2001, p. 136.
Zie par. 3.2.2.
Zwitser 1995, Van Grevenstein 1985 en Van Grevenstein 1992.
Zie TenneT 2017, p. 37 voor een voorbeeld van een expliciet derdenbeding in een achtergestelde obligatie.
Zie par. 3.2.2.
HR 1 oktober 2004, NJ 2005/499 (TCM/Gesink).
In deze zin Zwitser 1995, p. 582 en Haak 2012. Zie ook A. van Hees 1989, p. 82. Afwijzend: Rb. Amsterdam 15 augustus 2012, JOR 2012/376 (Curatoren Van der Moolen/AMG c.s.), r.o. 4.17.
197. De kwalificatie van een achterstelling als derdenbeding is ontwikkeld met het oog op een achterstelling die is overeengekomen tussen de junior en de schuldenaar. De gedachte achter deze constructie is dat de schuldenaar een derdenbeding heeft bedongen van de junior ten gunste van de senior. De schuldenaar treedt dus op als stipulator, de junior treedt op als promissor.
Over de precieze inhoud van het derdenbeding bestaan verschillende opvattingen. Pabbruwe meent dat het gaat om
“… een beding waarbij de geldnemer als stipulator en de junior crediteur als promissor fungeert en waarbij ten laste van de promissor een verbintenis ten behoeve van de senior crediteur ontstaat, krachtens welke verbintenis de senior crediteur van de junior crediteur kan vorderen diens vordering op de geldnemer/promissor niet te innen of te ontvangen in alle gevallen waarvoor de achterstelling bedoeld is te gelden”.1
Later heeft Pabbruwe hieraan toegevoegd dat het derdenbeding naar zijn idee óók de inhoud van de achtergestelde vordering bepaalt.2 Hij stelt bovendien dat de junior in het derdenbeding aan de senioren een ‘recht op achterstelling respectievelijk voorrang verleent’.3
A. van Hees gaat uit van een beding waarin wordt bepaald dat de junior zijn vordering niet zal innen, noch betaling zal accepteren voordat de senior is voldaan.4 Van Grevenstein vermeldt enkel dat de junior met het derdenbeding aan de senior een ‘voorrangsrecht sui generis, dan wel oneigenlijk zekerheidsrecht’ verleent.5 Zwitser gaat uit van een zeer beperkt derdenbeding. Volgens hem houdt het enkel in dat de senior een beroep kan doen op de tussen junior en debiteur overeengekomen achterstelling.6 Cahen sluit zich aan bij de kwalificatie van de achterstelling als derdenbeding zonder zich uit te laten over de inhoud van dat beding.7
Pabbruwe beperkt zijn kwalificatievoorstel tot achtergestelde obligaties.8 Het spreekt volgens hem vanzelf dat het derdenbeding geen rol speelt bij de achterstelling van vorderingen op naam.9 De achterstelling van vorderingen op naam wordt volgens Pabbruwe steeds vormgegeven door verpanding aan de senior. Dit is tegenwoordig lang niet altijd het geval.10 Zwitser en Van Grevenstein passen de achterstelling door derdenbeding ook toe op andere achterstellingen dan die van achtergestelde obligaties.11
198. Sommige overeenkomsten van achterstelling bevatten een expliciet derdenbeding ten gunste van de senior.12 Dergelijke bedingen worden opgenomen op verzoek van de senior die meent op die manier veilig te stellen dat hij een beroep op de achterstellingsovereenkomst kan doen.
Veel overeenkomsten van achterstelling bevatten geen expliciet derdenbeding.13 Dat is ook niet vereist voor de kwalificatie als derdenbeding. Een overeenkomst kan zelfs een derdenbeding bevatten als door partijen niet bewust is beoogd een derdenbeding te creëren.14 Als de eigenlijke achterstelling als derdenbeding wordt beschouwd dan moet een achterstellingsovereenkomst zo worden uitgelegd dat die een impliciet derdenbeding bevat.15