Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/4.3
4.3 De uitsluiting van de verrekeningsregels van het BW en de toepasselijkheid van de verrekeningsregels van de Fw
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS608427:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Tot 1 juli 2009 stond het BW-verrekeningsverbod uitdrukkelijk vermeld in art. 24 lid 1 Iw 1990. Deze bepaling is per genoemde datum vervallen, maar de wetgever heeft het verbod wel in stand willen laten. Sindsdien wordt het gebaseerd op art. 3:94 lid 1 Awb: zie § 2.4.2.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 12.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 68-69.
Zie § 2.2.4.5 en art. 6:127 lid 3 BW.
Zie § 1.3.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 69.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 70.
Zie § 3.2.
Zie eveneens § 32.
Handelingen II 1987-1988, 20 588, nr. 3, p. 69.
HR 15 januari 1999, NJ 2000, 49, J.W. Zwemmer, JOR 1999/42, AJT, V-N 1999/ 10.15 en FED 1999/493. Zie tevens § 5.2.3.
Zie voetnoot 9 van de conclusie van de A-G, waarin hij vaststelt dat de ontvanger 'dan ook niet' betwist dat de compensatiemogelijkheid ten aanzien van vorderingen van andere overheden ontbreekt wanneer de belastingplichtige failliet is. In § 2.4.6.1, slot komt aan de orde hoe het ontbreken van de mogelijkheid voor de Nederlandse fiscus om tijdens faillissement van de belastingplichtige fiscale vorderingen uit andere EU-landen in verrekening te brengen, zich verhoudt tot de EU-Richtlijn 2010/24 van 16 maart 2010.
Zie § 4.5.
Zie verder § 2.4.2.
Zie eveneens Faber 2005, p. 126.
Zie onder nr. 2.7 van de conclusie.
Zie art. 24 lid 1, vijfde volzin 1w 1990.
Zie de § 1.3, 2.42, 2.4.3 en 5.2.3, slot.
Aan het 'BW-verrekeningsverbod', dus de uitsluiting van de BW verrekeningsregels in artikel 24 Iw 1990,1 is in de wetsgeschiedenis van de Iw 1990 uitgebreid aandacht besteed. In het algemene gedeelte van de Memorie van Toelichting2 wordt het verbod als volgt toegelicht:
"Artikel 25 bevat een regeling die het de ontvanger mogelijk maakt rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen waarmee hij bemoeienis heeft met elkaar te verrekenen. Deze regeling stelt de compensatieregeling op de voet van de artikelen 1461 t/m 1471 van het Burgerlijk Wetboek terzijde. De vereisten die op grond van het burgerlijk recht aan verrekening worden gesteld, met name het vereiste dat de vordering en de schuld in hetzelfde vermogen moeten vallen staan een efficiënt invorderingsbeleid in de weg."
Verderop in de Memorie van Toelichting3 wordt vermeld:
"Artikel 25 stelt de compensatieregeling uit het Burgerlijk Wetboek ter zijde en geeft de ontvanger een specifieke bevoegdheid bepaalde uit te betalen en te innen bedragen te verrekenen.
Zoals reeds in het algemene gedeelte van deze algemene memorie is opgemerkt is uit efficiency-overwegingen de onderhavige verrekeningsbepaling opgenomen, aangezien de vereisten die het Burgerlijk Wetboek stelt om tot schuldvergelijking over te gaan - met name het vereiste dat partijen over een weer elkaars schuldeiser en schuldenaar moeten zijn in die zin dat vordering en schuld in hetzelfde vermogen vallen - in de situatie van de ontvanger vaak als te knellend wordt ervaren.
Artikel 25, eerste lid, bepaalt uitdrukkelijk dat schuldvergelijking op de voet van de artikel 1461 tot en met 1471 van het Burgerlijk Wetboek niet mogelijk is met betrekking tot belastingen en heffingen, voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger der rijksbelastingen is opgedragen.
De regeling met betrekking tot compensatie zoals die geldt onder de Faillissementswet blijft wat betreft die bepaalde belastingen en heffingen echter onverkort gehandhaafd. Een afwijking van die regeling op grond van efficiencyoverwegingen zou te ver gaan."
De reden die hier wordt aangedragen om het BW-verrekeningsverbod te onderbouwen, is dat een dergelijk verbod efficiënt zou zijn. In het verlengde daarvan wordt door de wetgever gesteld dat het vereiste van wederkerig schuldenaarschap - dat overigens ten onrechte in één adem wordt genoemd met het vereiste van identiteit van vermogens4 - als "te knellend" wordt ervaren. De wetgever vindt dat die knellendheid een zelfstandige grond is om dit vereiste van wederkerig schuldenaarschap, dat valt te beschouwen als een kernvereiste van de verrekening, te laten vervallen. De wetgever vindt voorts dat in dit opzicht de regels van het BW anders moeten worden behandeld dan die van de Fw. Ik ging reeds kritisch in op deze redenering van de Iw-wetgever en gaf ik aan dat het vereiste van wederkerig schuldenaarschap zodanig essentieel is dat die niet in een wettelijke verrekeningsregeling kan ontbreken.5 De Memorie van Toelichting vervolgt:6
"De wettelijke terzijdestelling van compensatie op de voet van het burgerlijk recht is algemeen gesteld en geldt behalve voor de ontvanger der rijksbelastingen ook voor met name de belastingschuldige. Dit houdt overigens niet in dat de belastingschuldige daardoor, vergeleken met de huidige situatie, in een nadeliger positie zou komen te verkeren. Behalve dat hij de ontvanger om compensatie kan verzoeken, welk verzoek alsdan moet worden ingewilligd (zie hierna), moet worden opgemerkt dat compensatie op grond van het burgerlijk recht voor de belastingschuldige slechts beperkt mogelijk is. Een belastingschuldige kan thans alleen « directe belastingen » met elkaar verrekenen. Op grond van artikel 25, tweede lid, zal de mogelijkheid voor de belastingschuldige om te verrekenen ruimer worden. Verrekening is immers niet alleen mogelijk met betrekking tot directe belastingen, maar is op grond van het tweede lid van artikel 25 ook mogelijk met betrekking tot andere rijksbelastingen alsmede andere belastingen en heffingen voor zover deze bevoegdheid aan de ontvanger is toegekend."
Daar wordt een pagina verder aan toegevoegd:7
"Aan het bezwaar van de kant van ondernemers tegen de huidige compensatieregeling uit het Burgerlijk Wetboek betreffende het feit dat het niet mogelijk is de op aangifte te betalen loonbelasting en premies volksverzekering te verrekenen met een terug te ontvangen bedrag aan omzetbelasting waarvoor hij eveneens een aangifte moet indienen, wordt alsdan tegemoet gekomen."
De stelling van de wetgever dat op grond van het burgerlijk recht alleen directe belastingen met elkaar mogen worden verrekend en niet met andere rijksbelastingen - dus indirecte belastingen zoals loonbelasting en omzetbelasting - is van belang. Immers, op grond van het arrest Beoosten de Vecht uit 1924 nam de fiscus wel het standpunt in dat de belastingplichtige een belastingschuld in het geheel niet mocht verrekenen met een vordering op de fiscus.8 Uit deze opmerking in de wetsgeschiedenis van de Iw 1990 kan worden afgeleid dat, in ieder geval tijdens de totstandkoming van de Iw 1990, dit algehele verrekeningsverbod door de wetgever niet meer onverkort van toepassing werd geacht. Dit sluit aan bij de theorie van Vermeulen, dat het verrekeningsverbod in 1930, toen het algehele beslagverbod onder de overheid werd afgeschaft, is komen te vervallen.9
Over de toepasselijkheid van de Fw bij verrekening door de fiscus is de wetgever bepaald duidelijk geweest:10
"De regeling met betrekking tot compensatie zoals die geldt onder de Faillissementswet blijft wat betreft die bepaalde belastingen en heffingen echter onverkort gehandhaafd. Een afwijking van die regeling op grond van efficiencyoverwegingen zou te ver gaan."
De Hoge Raad overwoog naar aanleiding van dit citaat in het arrest Wilderink q.q./Ontvanger:11
"De verdere behandeling van het wetsvoorstel - zoals nadien gewijzigd - geeft geen enkele grond voor de veronderstelling dat de wetgever de toepasselijkheid van de verrekeningsbepalingen van de Faillissementswet (art. 53 e.v.) vervolgens toch zou hebben willen uitsluiten."
Op basis van ditzelfde citaat uit de wetsgeschiedenis stelt de A-G Langemeijer in zijn conclusie bij Wilderink q.q./Ontvanger vast dat de mogelijkheid voor de fiscus om ook vorderingen van andere overheden in verrekening te betrekken in ieder vervalt bij een faillissement van de belastingplichtige.12 Dit is een juiste en belangrijke vaststelling. Die impliceert eveneens dat de verrekeningsmogelijkheid bij de fiscale eenheid, die volgens artikel 24 lid 1, vijfde volzin, 1w 1990 bij faillissement in stand blijft, zich niet kan uitstrekken tot deze vorderingen van andere overheden. Met andere woorden: de vorderingen van andere overheden kunnen nimmer door de fiscus in verrekening worden gebracht indien op de voet van artikel 24 lid 1, derde volzin, Iw 1990 de verrekeningsregels van de Fw van toepassing zijn vanwege een faillissement, surseance of scheldsanering natuurlijke personen van de belastingplichtige. De bepaling van de vijfde volzin van artikel 24 lid 1 Iw 1990, zoals die per 1 januari 2003 is ingevoerd, maakt dit niet anders. De wetgever heeft niet beoogd met de invoering van deze volzin tijdens faillissement of surseance verrekening door de fiscus bij een fiscale eenheid van vorderingen van andere overheden mogelijk te maken. Ik voeg daar aan toe dat aannemelijk is dat deze vorderingen van andere overheden door de fiscus sowieso niet kunnen worden betrokken in een verrekening bij een fiscale eenheid. De wetgever lijkt niet de bedoeling te hebben gehad de verrekeningsmogelijkheid bij de fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting zo ver te verruimen.13
Per 1 juli 2009 is de toepasselijkheid van de verrekeningsregels van de Fw, die dus reeds volgde uit de wetsgeschiedenis van de Iw 1990, uitdrukkelijk opgenomen in artikel 24 lid 1 Iw 1990.14 De complicatie die na de invoering van de Iw 1990 ontstond, en die leidde tot het arrest Wilderink q.q./Ontvanger, was het gevolg van de regeling voor de verrekening bij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Het was niet duidelijk of deze regeling ook zou gelden bij het faillissement van één of meer van de maatschappijen binnen die fiscale eenheid. De Hoge Raad vond in het arrest Wilderink q.q./Ontvanger, kort gezegd, dat de regels van de Faillissementswet onverkort bleven gelden indien de crediteur van de fiscus (uit de fiscale eenheid) - dus de rechthebbende op een uitbetaling door de fiscus15 - in staat van faillissement kwam te verkeren. In zijn conclusie bij dit arrest16 merkte de A-G Langemeijer over dit onderwerp op:
"(...) het uiteindelijke resultaat is dat art. 241w nu één bepaling bevat (de tweede volzin van lid 2) die bedoeld is mede te gelden bij faillissement van de belastingschuldenaar, terwijl de overige voorschriften van dit artikel in de bedoeling van de wetgever buiten toepassing blijven in geval van faillissement."
De Hoge Raad was het niet met deze analyse van de A-G eens en oordeelde dat de regeling voor de verrekening bij de fiscale eenheid niet gold bij faillissement van een belastingplichtige uit die fiscale eenheid, met een vordering op de fiscus. Zoals reeds vermeld, is artikel 24 Iw 1990 sinds 1 januari 2003 op dit punt aangepast en staat uitdrukkelijk in de wet dat de verrekeningsmogelijkheid bij de fiscale eenheid in stand blijft bij faillissement van een of meer maatschappijen die onderdeel uitmaken van de fiscale eenheid vennootschapsbelasting.17 Daarmee is naar het lijkt inderdaad een systeem tot stand gekomen zoals de A-G dat in het hiervoor weergegeven citaat had beschreven. Wel verdient vermelding dat deze wetswijziging op gespannen voet staat met de overwegingen van de Hoge Raad in Wilderink q.q./Ontvanger over de inbreuk op het paritas-beginse1.18