Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/6.10.1
6.10.1 Art. 40 Onteigeningswet
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS347983:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk HR 10 augustus 1995, nr. 1197, derde kamer, met conclusie A-G Loeb, NJ 1996/391 met noot van R.A. Mi rzer Bruyns.
HR 29 juni 1977, derde kamer, met conclusie A-G Franx, NJO 1977/15.
Conclusie bij HR 4 november 1992, nr. 1142, NJ 1993/577 met noot van R.A. IVR•rzer Bruyns.
Vergelijk HR 9 december 1992, nr. 1143, derde kamer, met conclusie A-G Moltmaker, NJ 1994/ 3 met noot van R.A. Miirzer Bruyns; HR 29 juni 1977, derde kamer, NJO 1977/ 15; HR 2 maart 1966, derde kamer, NJ 1966/249; HR 1 december 1965, derde kamer, NJ 1966/235; HR 23 december 1964, derde kamer, NJ 1965/130.
Art. 40 Onteigeningswet luidt als volgt: 'De schadeloosstelling vormt een volledige vergoeding voor alle schade, die de eigenaar rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn zaak lijdt.'
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad1 blijkt dat voor vergoeding in het kader van een onteigening in aanmerking komt het verschil tussen de bedrijfswaarde en de liquidatiewaarde van vaste en vlottende activa. Doel van de Onteigeningswet is om betrokkene na onteigening in dezelfde financiële positie te doen verkeren als voor de onteigening.
Anders ligt de situatie indien de onteigende als redelijk handelend ondernemer de uitoefening van het bedrijf zou hebben gestaakt, ook indien onteigening achterwege zou zijn gebleven. Alsdan zijn volgens de Hoge Raad2 liquidatieschade en belastingschade geen gevolg van de onteigening; ook zonder onteigening zou immers diezelfde schade zijn geleden. De desbetreffende schade komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. De annotator onder het arrest merkt op: 'Men kan ook zeggen, dat — gelet op de vooruitzichten van het bedrijf — de waarde van inventaris en voorraden in feite reeds was gedaald van de bedrijfswaarde tot de liquidatiewaarde.'
Wat dient in het kader van de Onteigeningswet te worden verstaan onder het begrip `bedrijfswaarde'? Volgens A-G Moltmaker3 is dit de waarde die zou kunnen worden gerealiseerd bij verkoop van het bedrijf als going concern.
Opvallend is dat in procedures aangaande art. 40 Onteigeningswet4 er geen verschillen van mening optreden aangaande de vaststelling van de bedrijfswaarde van onderscheiden activa. De schade wordt over het algemeen door taxateurs vastgesteld waarbij de indruk bestaat dat de bedrijfswaarde wordt geïnterpreteerd als directe opbrengstwaarde buiten het verband van de onderneming.