Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.3.1
7.3.1 Kort overzicht van de totstandkoming van de toerekeningsleer en visie wetgever
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284556:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1902, p. 425-433.
Simons 1902, p. 30.
Zevenbergen 1917, p. 38 en 72.
Bijv. Träger 1904. Zie hierover uitvoerig bijv. Lange & Schiemann 2003, p. 82 e.v. en Witjens 2011, p. 29 e.v.
Zie hierover ook Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 55 en Van der Kooij 2019, nr. 45-47.
Zevenbergen 1917, p. 46, 69 en 71.
Bijv. Van Brakel 1934, p. 1-2; Meijers 1935, 554; Vigelius 1935, p. 845; Van Brakel 1948, p. 613; Köster 1963, p. 15; Schoordijk 1979, p. 235 en Langemeijer 1981, p. 120.
Zij deden in werkelijkheid allemaal een net iets ander voorstel. Volgens Scholten is vereist dat de aangewezen oorzaak een voorwaarde is die de mogelijkheid van het gevolg objectief heeft vergroot (Scholten 1902, p. 302). Volgens Simons gaat het erom of ‘naar algemeene regelen der menschelijke ervaring’ de mogelijkheid bestond dat het onrechtmatige gedrag tot de ingetreden schade zou leiden (Simons 1902, p. 30). Zevenbergen vereist dat de schade een objectief voorzienbaar gevolg is van de onrechtmatige gedraging (Zevenbergen 1917, p. 72). Dit vereiste van het voorzienbaar gevolg ontleende Zevenbergen weer aan het in contractuele context toepasselijke art. 1283 BW (oud).
Bijv. HR 3 februari 1927, ECLI:NL:HR:1927:183, NJ 1927/636, m.nt. E.M. Meijers (Haagse Post/Ligterink) en HR 25 januari 1957, ECLI:NL:HR:1957:202, NJ 1957/114 (Van der Schrieck/Gemeente Ede)
Bijv. HR 18 november 1927, ECLI:NL:HR:1927:121, NJ 1928/123, m.nt. E.M. Meijers (Kaufmann’s/Kalder Norden), HR 28 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:11, NJ 1929/905, m.nt. P. Scholten (Intercueros/De Twentse Bank) en HR 25 maart 1955, ECLI:NL:HR:1955:63, NJ 1955/337, m.nt. L.E.H. Rutten (Moesbergen/Rotterdamse Tramweg Mij).
Bijv. HR 18 februari 1927, ECLI:NL:HR:1927:208, NJ 1927, p. 658, m.nt. E.M. Meijers (Staatsspoorwegen/Smit).
Bijv. HR 18 februari 1944, ECLI:NL:HR:1944:33, NJ 1944/226 (Duinwater).
Bijv. HR 30 oktober 1953, ECLI:NL:HR:1953:220, NJ 1954/261, m.nt. J. Drion (Staat/Schoenmakers).
Bijv. HR 21 juni 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5463, NJ 1974/453, m.nt. G.J. Scholten (Windmill/Roelofsen). Van der Kooij wijst erop dat deze kansverhogingsmethode het dichtst ligt bij de door de Duitse rechtsleer voorgestane toepassing van de adequate veroorzaking. Die leer heeft namelijk tot doel toevallig door de onrechtmatige daad veroorzaakte schade uit te sluiten van de vergoedingsplicht. Een kansverhogingsbenadering sluit die ‘toevallige’ schade uit (Van der Kooij 2019, nr. 55-56).
Een fraai voorbeeld is de klassieker HR 8 januari 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4306, NJ 1982/614, m.nt. C.J.H Brunner (Natronloog). Een schoonmaakster zette een vuilniszak op straat met daarin een emmertje gevuld met een voor haar onbekende vloeistof. De dienstdoende vuilnisman gooit de vuilniszak in de achterklep van de vuilniswagen. Als gevolg van een gebrek in de achterklep komt die vloeistof vrij en spuit precies in het oog van de vuilnisman. Het blijkt om het zeer bijtende natronloog te gaan. Al met al een casus waar het intreden van de schade van toevalligheden aan elkaar hangt: het blijkt natronloog, er is een gebrek in de vuilniswagen en de stof belandt ook nog eens precies in het oog van de vuilnisman. Wie had zoveel toevalligheden kunnen voorzien en hoe waarschijnlijk is deze gang van zaken? Volgens de Hoge Raad brengt de in deze gevallen in acht te nemen zorgvuldigheid echter naar haar aard mee dat de voorzienbaarheid voor de laedens van de wijze waarop het letsel is veroorzaakt niet relevant is. Evenmin is volgens de Hoge Raad relevant of het intreden van de concrete schade waarschijnlijk is. Doorslaggevend is de waarschijnlijkheid van te verwachten ongelukken in het algemeen, indien men een vuilniszak met een onbekende vloeistof neerzet zonder verdere maatregelen te nemen.
Köster 1963.
Zie bijv. Van Brakel 1934, p. 1-2; Loscaat Vermeer 1939, p. 202-203; Hofmann/Van Opstall 1959, p. 93. Laatstgenoemde spreekt niet expliciet van het redelijkheidscriterium, maar acht wel alle omstandigheden van het geval doorslaggevend.
Köster 1963, p. 14.
Köster 1963, p. 15 en 22-23.
Slagter 1982, p. 161; Asser/Rutten 3-I 1967, p. 209: vanaf 1973 verandert Rutten echter van mening. Zie voetnoot 104.
Van Eikema Hommes 1975, p. 114.
Bijv. Asser/Rutten 4-I 1973, p. 214-215. Naar aanvankelijk kritisch te zijn geweest, onderschrijft Rutten vanaf 1973 met Köster dat de rechter vermoedelijk andere factoren laat meewegen dan waartoe de adequatieleer ruimte biedt. Zie verder bijv. Dorhout Mees 1963, p. 556-557.
Bloembergen 1965, nr. 106-154.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 342 (V.V. II). De commissie meende dat de voorzienbaarheid een betere maatstaf was dat de redelijkheid.
HR 20 maart 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5007, NJ 1970/251, m.nt. G.J. Scholten (Waterwingebied Leeuwarden) waarin de Hoge Raad meende dat de geleden schade als gevolg van een ongeluk voor vergoeding in aanmerking kwam, omdat deze niet een “zo uitzonderlijke vorm van schade t.g.v. een dergelijk ongeluk is, noch in een zo ver verwijderd verband daarmee staat, dat die schade naar redelijkheid niet – als veroorzaakt door dat ongeluk – ten laste zou mogen worden gebracht van degeen, die krachtens de wet aanspr. voor de gevolgen van het ongeluk draagt”.
Zie Parl. Gesch. p. 345 (MvA II). Zie voor een uitvoerige inventarisatie van verschillende visies op de redelijke toerekeningsleer (en diens verhouding tot de csqn-leer) in de aanloop naar de invoering van het NBW: Klaassen 1991, p. 259-287.
450. Aan het einde van de 19e en begin van de 20e eeuw worstelde de rechtspraktijk en wetenschap met de feitelijke causaliteit. De gehanteerde causaliteitstoets leidde ertoe dat meer schade voor vergoeding in aanmerking kwam dan men (normatief) wenselijk achtte. Men aanvaardde daarom soms dat binnen de feitelijke causaliteitstoets aan bepaalde voorwaarden voor het intreden van de schade meer gewicht toekwam dan aan anderen voorwaarden. Sommige voorwaarden waren in die benadering een ‘echte’ oorzaak van de schade, andere waren daarvoor slechts een ‘aanleiding’ die niet tot aansprakelijkheid leidden (zie hiervoor §3.2 en §3.4.1). Ook de relativiteit, de leer van Demogue-Besier en het Rechtmäβiges Alternativverhalten werden met meer of minder succes ten tonele gevoerd als matigingsinstrument (zie hiervoor §3.5.1).
451. Scholten,1 Simons2 en Zevenbergen3 wezen erop – de eerste twee expliciet onder verwijzing naar het empirisch-filosofisch denken van Mill over causaliteit en de juridische vertaling daarvan door Von Buri (zie hiervoor §3.2) – dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen het feitelijke csqn-verband tussen onrechtmatige daad en schade enerzijds en de normatieve toerekening van die schade aan de onrechtmatige daad anderzijds. Volgens hen diende eerst een feitelijke csqn-toets te worden uitgevoerd. Ten aanzien van de daarmee geïdentificeerde schade moest volgens hen vervolgens een – aan het Duitse recht ontleende –4 toets van adequate veroorzaking aangelegd worden.5 Zevenbergen sprak in dit verband voor het eerst over de vraag welk criterium zou moeten gelden om schade aan de onrechtmatige daad toe te rekenen.6 In de loop van de tijd is door velen de gedachte overgenomen dat de tweede vraag een vorm van normatieve toerekening is.7 Grosso modo meenden Scholten, Simons en Zevenbergen dat de schade vergoed moet worden als deze een waarschijnlijk of voorzienbaar gevolg is van de onrechtmatige gedraging.8
452. De Hoge Raad heeft vanaf het interbellum zijn eigen varianten van de adequate veroorzaking – ingelezen in art. 1401 BW (oud) – aanvaard en in de daaropvolgende jaren nader vormgegeven. Een eenduidig criterium heeft de Hoge Raad toen niet gevonden. In het ene arrest vereiste hij dat de schade het redelijkerwijs te verwachten gevolg is van de onrechtmatige daad,9 in het andere arrest verlangde hij dat de schade daarvan het naar ervaringsregels te verwachten10 (of als niet onwaarschijnlijk te verwachten)11 gevolg is. In weer een ander arrest stond de voorzienbaarheid van de schade centraal.12 De Hoge Raad heeft in het kader van de adequate veroorzaking verder nog het criterium gehanteerd of de gedraging een verhoogde kans op de schade in het leven heeft geroepen13 dan wel of die kans daardoor aanmerkelijk is verhoogd.14 Wat er ook zij van het precieze criterium, de Hoge Raad aanvaardde aldus dat de feitelijke csqn-vraag apart staat van de normatieve vraag welke door de onrechtmatige gedraging veroorzaakte schade voor vergoeding in aanmerking komt.
453. Bij het ontwerp voor het nieuw BW onderkenden ook Meijers en het driemanschap dat de feitelijke en normatieve vragen van elkaar moeten worden onderscheiden. In het ontwerp voor art. 6:162 BW (art. 6.3.1.1 O.M.) kwam de csqn-toets naar voren (‘dientengevolge’), terwijl het ontwerp voor art. 6:98 BW (art. 6.1.9.4 O.M.) de normatieve toerekeningsvraag omvatte. De voorgestelde norm vormde een mengeling van de verschillende criteria die de Hoge Raad tot dat moment had gehanteerd (waarschijnlijkheid en voorzienbaarheid van het intreden van de schade):
“Voor vergoeding komt slechts in aanmerking de schade die op het tijdstip van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, met voldoende graad van waarschijnlijkheid als gevolg van deze gebeurtenis was te voorzien.”
454. Gedurende het wetgevingstraject ontstond in de wetenschap het inzicht dat de waarschijnlijkheid en voorzienbaarheid te grofmazig zijn als toerekeningscriterium. Zo kan onder omstandigheden ook op zichzelf niet zo waarschijnlijke of voorzienbare schade voor vergoeding in aanmerking komen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de aard van de normschending of de aard van de schade daartoe aanleiding geeft. Zo dient bij schending van veiligheidsnormen ook letselschade vergoed worden die op zichzelf niet erg waarschijnlijk of voorzienbaar is.15 Köster bepleitte in zijn inaugurele rede16 – in navolging van anderen –17 dat de redelijkheid beslissend zou moeten zijn bij de toerekeningsvraag. Volgens hem konden de leerstukken van relativiteit en toerekening opgaan in één leerstuk van redelijke toerekening. Beide leerstukken zagen volgens hem namelijk in de kern op dezelfde vraag: of het in het licht van de gegeven omstandigheden redelijk is dat de veroorzaakte schade moet worden vergoed door de laedens. Hij stelde daartoe de volgende bepaling voor:18
“De verplichting tot schadevergoeding strekt zich uit tot de schade, of het gedeelte van de schade, dat gelet op alle omstandigheden, naar redelijkheid kan worden toegerekend aan de aangesproken partij. Tot de hierbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoren met name:
de aard van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust;
de aard van de schade;
de graad van waarschijnlijkheid waarmede het ontstaan van de schade viel te verwachten;
de onevenredig zware last, welke voor de aangesproken partij, mede gelet op de financiële positie van de benadeelde, uit de schadevergoedingsverplichting kan voortvloeien.”
Volgens Köster zouden rechtspraak en literatuur dit criterium van geval tot geval nader moeten invullen en afbakenen.19
455. Dit leerstuk werd door sommige schrijvers verworpen uit vrees voor vaagheid20 of zelfs ‘nietszeggendheid.’21 Door anderen werd deze methode wel positief ontvangen.22 Een van de belangrijkste voorvechters van deze methode was Bloembergen. Ook hij verdedigde een leer van redelijke toerekening aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Hij plaatste de toerekeningsleer naast de relativiteitsleer. De aard van de norm kan volgens hem namelijk enkel van belang zijn voor de conclusie dat de norm niet strekt tot bescherming van de door de gelaedeerde geleden schade – en speelt dus geen rol bij de vraag of de schade toegerekend moet worden.23
456. De redelijke toerekeningsleer is uiteindelijk door het driemanschap overgenomen en in het uit 1976 dateerde gewijzigd ontwerp terecht gekomen – overigens tegen het advies van de vaste Commissie voor Justitie in24 en nadat de Hoge Raad in 1970 binnen het onrechtmatige daadsrecht al een voorzichtig begin had gemaakt met de inbedding van de redelijke toerekeningsleer in het geldend recht.25 De ontwerptekst is gelijk aan de uiteindelijke wetstekst van art. 6:98 BW:
“Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.”
457. Volgens de Memorie van Toelichting dwong deze maatstaf de rechter zijn beslissing te motiveren met de daadwerkelijke naar objectieve inzichten te bepalen redenen die aan zijn toerekeningsoordeel ten grondslag liggen. Vanwege de eis van objectieve redenen is een expliciete verwijzing naar de redelijkheid weggelaten. Dat zou de suggestie kunnen wekken dat de rechter bij dit oordeel vrijheid toekomt. Dat is niet het geval. Art. 6:98 BW staat de toepassing (en de ontwikkeling) van objectieve rechtsregels voor ogen.26