Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.13.2
7.13.2 De houding van de sollicitant
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258885:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
CRvB 21 april 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP3618.
CRvB 24 mei 2000, ECLI:NL:CRVB: 2000:ZB8812.
CRvB 15 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2325. In CRvB 7 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2398 werd nogmaals de nadruk gelegd op het onderzoek van het UWV bij de vraag of de aangeboden arbeid passend is. In de betreffende zaak was het dossier van het UWV met betrekking tot de werkzaamheden niet volledig en kon volgens de Raad geen goede beoordeling worden gemaakt.
CRvB 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:851.
CRvB 12 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:851 en onder meer CRvB 9 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8638.
CRvB 19 april 2000 ECLI:NL:CRVB:2000:ZB8749.
CRvB 1 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AL3572.
De houding van de betrokkene tijdens een sollicitatie kan een belangrijke reden zijn waarom passende arbeid niet wordt aangeboden door de werkgever. In een zaak uit 2004 waren het de eigenzinnige houding van de sollicitant, zijn gebrek aan flexibiliteit en zijn gebrek om kritisch naar zijn eigen rol te kijken waardoor de werkgever tot de conclusie kwam om de functie niet aan te bieden. In dat geval had de werkgever vooraf al besloten de sollicitant de functie aan te bieden, omdat hij geïndiceerd was voor een gesubsidieerde werkervaringsplaats. Tijdens het sollicitatiegesprek bleek echter de houding en de opstelling van de sollicitant een grote teleurstelling voor de werkgever te zijn; de werkgever had uit dat gesprek afgeleid dat de betrokkene eigenlijk geen interesse voor de vacature had.1 Ook in een zaak in 2000, waarin door de sollicitant de voorkeur was uitgesproken om bij de oude werkgever aan de slag te gaan, was vastgesteld dat betrokkene bij het bedrijf had kunnen beginnen als hij die opmerkingen niet had gemaakt. Ook in dat geval was door toedoen van de werkloze geen passende arbeid verkregen.2
Het ligt wel op weg van het UWV kritisch om te gaan met meldingen van een negatieve houding tijdens de sollicitatie, want het feit dat de medewerkster van het re-integratiebureau ruim twee maanden later een negatieve verklaring omtrent de sollicitatie heeft afgelegd riep vragen op, omdat niet in te zien was waarom betrokkene niet onmiddellijk na afloop van het sollicitatiegesprek is aangesproken op haar gedrag tijdens het sollicitatiegesprek.3 Als de sollicitant tijdens het gesprek aangeeft ‘niet te staan springen’ om schoonmaakwerk, maakt dat nog niet dat per definitie nagelaten is om passende arbeid te aanvaarden of dat dit door eigen toedoen niet is verkregen. Het moet namelijk duidelijk zijn dat de werkgeefster zich ten tijde van die opmerking van de betrokkene al de opvatting had gevormd dat zij voor de uitoefening van de functie geschikt was en die opmerking de oorzaak was om haar niet in dienst te nemen.4 Het is vaste rechtspraak dat pas bij een concreet werkaanbod kan worden gesproken van het nalaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid te verkrijgen.5 Een werkaanbod is in beginsel concreet als de werkgever met de sollicitant ten minste de aard van de werkzaamheden heeft besproken, zich de opvatting heeft gevormd dat de sollicitant voor de uitoefening van deze werkzaamheden geschikt is en kenbaar heeft gemaakt dat hij de sollicitant in dienst zou kunnen en willen nemen. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen de houding van de werknemer en het feit dat er geen arbeid is aangeboden.
In een zaak in 2000 nam de Raad ook mee dat de Wet Boeten verstrekkende gevolgen verbindt aan het opleggen van een maatregel bij het weigeren van passende arbeid, zodat dit te meer noopt tot een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden. In de betreffende zaak had betrokkene geweigerd om te solliciteren op functies voor een metselaar, maar was het niet duidelijk dat betrokkene daadwerkelijk een baan had gekregen voor die functie (anders dan enkel een hypothetische kans).6 Als er wel een gerede kans is op een baan, dan kan dit wel leiden tot het oordeel dat er nagelaten is passende arbeid te accepteren.7