Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/22.2.6
22.2.6 Vertrouwensbeginsel
mr. dr. L.M. Koenraad, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. L.M. Koenraad
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uitgebreid (met veel verwijzingen naar jurisprudentie) L.J.A. Damen, ‘Is de burger triple A: alert, argwanend, assertief, of raakt hij lost in transition’, in: Vertrouwen in de overheid (VAR-reeks 160), Den Haag: Boom Juridisch 2018, p. 7-103.
Nader bijv. T.N. Sanders, Invordering door de overheid. De invordering van geldschulden uit herstelsancties onder de Awb, Den Haag: Boom Juridisch 2018, p. 319-338.
Bijv. M. Scheltema, ‘Gebondenheid van overheid en burger aan eigen voorafgaand handelen’, in: De rechtsverwerking in het administratieve recht (VAR-reeks LXXIV), Groningen: H.D. Tjeenk Willink 1975, p. 3-56.
In deze zin reeds Scheltema 1975, p. 18 en 51-53.
Voor een recent en helder overzicht van dit leerstuk – van de formele rechtskracht – verwijs ik naar Sanders 2018, p. 95-132, en de daar aangehaalde literatuur.
Bestuursorgaan
Het vertrouwensbeginsel – dat is verknoopt met het (materieel) rechtszekerheidsbeginsel – impliceert dat het bestuursorgaan gerechtvaardigde verwachtingen van de burger als regel moet honoreren, tenzij dwingend geformuleerde wettelijke voorschriften en/of onvoorziene omstandigheden daaraan in de weg staan. Dit leidt met grote regelmaat tot discussies in bezwaar- en beroepsprocedures, en uiteindelijk vaak tot teleurstelling en frustratie van burgers.1 Dergelijke discussies verzanden namelijk vaak in vruchteloze debatten over de vraag of a. sprake is van uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezeggingen die aan het bestuursorgaan kunnen worden toegerekend; b. de burger aan langdurig stilzitten van het bestuursorgaan een vertrouwen mag ontlenen; c. het bestuursorgaan een eerdere vergissing – waardoor bij burgers verwachtingen zijn gewekt – moet herhalen; en d. onvoorziene omstandigheden in de weg staan aan het honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen.
Ad a. Meningsverschillen over – wel of niet (bevoegdelijk) gedane – toezeggingen spelen vooral een rol tijdens procedures over het weigeren van gevraagde subsidies, vergunningen en ontheffingen.
Ad b. Langdurig stilzitten is een onderwerp dat steeds weer opduikt in geschillen over de rechtmatigheid van sancties zoals lasten onder dwangsom (of bestuursdwang) en bestuurlijke boetes, en ten grondslag ligt aan de regel dat de bevoegdheid tot uitoefening van bepaalde bevoegdheden na verloop van tijd verjaart (bijv. artikel 5:35 Awb).2 Algemeen geformuleerd: het bestuursorgaan kan het recht op effectuering van zijn rechten verwerken.3
Ad c en d. Stellingen over de onwenselijkheid om gemaakte vergissingen te herhalen en over onvoorziene omstandigheden komen pas aan de orde als het vertrouwen van de burger is gerechtvaardigd, en die situatie doet zich – in ieder geval volgens bestuursrechters – niet heel vaak voor.
Burger
Ook de burger mag het bij het bestuursorgaan gewekt vertrouwen slechts in uitzonderlijke gevallen beschamen. Die notie ligt ten grondslag aan onder meer de regel dat een belanghebbende zes weken de tijd heeft voor het maken van bezwaar of instellen van beroep tegen een hem onwelgevallig besluit (artikel 6:7 Awb), en aan het principe dat hij niet onredelijk lang mag wachten met het ageren tegen uitblijven van een gevraagd besluit (artikel 6:12 lid 4 Awb).4 Hieruit kan worden geconcludeerd dat de burger een ageerplicht heeft.
Verder wordt duidelijk dat ook de burger het recht op effectuering van zijn rechten kan verwerken.5 Daarom mag het bestuursorgaan na verloop van tijd – net als een derde-belanghebbende zoals een vergunninghouder – erop vertrouwen dat niemand problemen heeft met het genomen besluit of het feit dat geen beslissing op de aanvraag is genomen, en overigens dat dit besluit wat betreft wijze van totstandkoming en inhoud geen gebreken kent.6
Consequenties
Wie niet voldoet aan de ageerplicht – lees: niet tijdig opkomt tegen een besluit of het uitblijven daarvan – verwerkt zijn recht om de gewraakte bestuurlijke handelwijze aan het bestuursorgaan voor te leggen.