Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.2
3.2 Het eerste argument: aandeelhouders als de economische eigenaren
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS302578:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Deze overwegingen vertonen een sterke gelijkenis met de contractuele theorie.
Berle & Means 1932, p. 64.
Friedman 1970.
Honoré 1961.
Eisenberg 1998/99, p. 825.
Denk in dit verband bijvoorbeeld aan het goedkeuringsbesluit dat dient te worden genomen door het bestuur, zonder welk goedkeuringsbesluit een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders dat strekt tot uitkering geen gevolgen heeft (artikel 2:216 lid 2 BW). Daarnaast kan ook worden gedacht aan het risico van aansprakelijkheid bij een onrechtmatige uitkering. Zie hierover hoofdstuk 7, paragraaf 7.6.7.
Artikel 2:23b lid 1 BW. De precieze regeling zal afhankelijk zijn van hetgeen de statuten daaromtrent bepalen. De aard van het aandeelhouderschap brengt met zich mee dat de aandeelhouder ten minste aansprakelijk heeft op het overschot voor het nominaal bedrag van zijn aandelen, aldus Dortmond (Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 390).
Asser/Van der Grinten/Maeijer 1997, nr. 167; Asser/Maeijer 2000, nr. 566; Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 390.
Het eerste, en wellicht meest eenvoudige en populaire, argument is dat aandeelhouders de economische eigenaren van de onderneming zijn. De opvattingen achter dit argument zijn sterk gebaseerd op de reeds genoemde scheiding van ‘ownership’ en ‘control’. De opvatting is immers dat aandeelhouders hun eigendom uit handen geven aan een ‘gespecialiseerd’ bestuur, dat met hun eigendom gaat ondernemen.1 Vanuit die opvatting is het niet onlogisch om te concluderen dat aandeelhouders als de economische eigenaren van de vennootschap dienen te worden beschouwd.
De opvatting dat aandeelhouders als economisch eigenaren van de vennootschap dienen te worden beschouwd, komt eveneens terug in het thans beroemde (rechtseconomische) boek van Berle en Means genaamd The Modern Corporation and Private property, waarin zij tot de conclusie komen dat het uiteenlopen van de belangen van bestuurders en aandeelhouders problematisch is, omdat aandeelhouders de eigenaren van de vennootschap zijn en hun belang behartigd behoort te worden.2 Ook de Nobelprijs winnende econoom Milton Friedman ging van deze opvatting uit, blijkens zijn beroemde artikel in de New York Times:
‘In a free-enterprise, private-property system, a corporate executive is an employee of the owners of the business. He has direct responsibility to his employers. That responsibility is to conduct the business in accordance with their desires, which generally will be to make as much money as possible while conforming to the basic rules of the society, both those embodied in law and those embodied in ethical custom.’3
In dit kader wordt door sommigen eveneens gewezen op de kenmerken die eigendom met zich brengt, zoals bezit, gebruik, beheer en het recht op inkomsten en het vermogen.4 Hoewel de aandeelhouder niet over al deze kenmerken ten opzichte van de vennootschap beschikt, wordt betoogd dat de aandeelhouder wel over het merendeel van deze kenmerken beschikt en indirecte controle uitoefent door middel van zijn zeggenschapsrechten.5
In het Nederlands recht komen deze kenmerken eveneens ten dele terug. Zo heeft de aandeelhouder in beginsel recht op de winst van de vennootschap (artikel 2:106/ 216 BW). Het recht van de aandeelhouder op de winst is echter niet absoluut.6 Daarnaast heeft de aandeelhouder – in beginsel – recht op het batig saldo bij liquidatie,7 waaruit kan worden opgemaakt dat de aandeelhouder recht heeft op het vermogen van de vennootschap, na voldoening van de schulden.8 De aandeelhouder heeft derhalve – in meer of mindere mate – recht op de inkomsten, voor zover daarmee de winst wordt bedoeld, en het vermogen van de vennootschap. De aandeelhouder is echter geen eigenaar van (het vermogen van) de vennootschap, noch kan hij haar bezitten of gebruiken. Hij is slechts rechthebbende op de door de vennootschap uitgegeven aandelen.