Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3.1.1
4.3.1.1 De duurovereenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd zonder contractuele opzegregeling
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855306:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is in ieder geval duidelijk sinds HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin).
Hoewel de HR het woord ‘of’ hanteert, ben ik van mening dat de verschillende opzegmodaliteiten elkaar niet uitsluiten en het dus ook ‘en en’ kan zijn (zie uitgebreider par. 4.3.3).
HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin); HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 (Auping/Beverslaap); HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660 (Stichting Gooisch Natuurreservaat); HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134 (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent); HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270 (Nanada/Golden Earring); HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:445 (Voorst/Vitens); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:446 (Voorst/Liander).
Van Slooten 2018, p. 47.
Als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is vereist, moet worden getoetst of de opzeggingsgrond van de opdrachtgever aan deze voorwaarde voldoet. Alleen in dat geval is immers sprake van een geldige (reden voor) opzegging. Bij het ontbreken van zo’n grond sorteert de opzegging in principe alleen effect indien sprake is van misbruik aan de zijde van de opdrachtnemer door de opdrachtgever aan de overeenkomst te houden. Bij een dergelijk misbruik kan worden gedacht aan derdenbelangen die zodanig van aard zijn dat de verplichting van de opdrachtgever, en daarmee dus ook het belang van de opdrachtnemer, kan worden gederogeerd op grond van art. 6:248 lid 2 BW (zie bijv. HR 20 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1366 (Negende van OMA, Körmeling/Vlaardingen)).
HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1706 (Kakkenberg/Kakkenberg); HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin); HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
Zie bijv. HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin), waarin de HR op basis van een afweging tussen enerzijds de door de gemeente aangevoerde reden voor opzegging (gewijzigde omstandigheden) en anderzijds de omstandigheden bij Stedin (aard en omvang van het verlies) overwoog dat de eisen van de redelijkheid en billijkheid niet meebrengen dat een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging is vereist.
De bestudeerde rechtspraak is verzameld via Legal Intelligence, Navigator, Rechtsorde en rechtspraak.nl. Hierbij heb ik (een combinatie van) de volgende zoektermen gebruikt: ‘7:408 ECLI:NL:HR:2011:BQ9854’, ‘7:408 Gemeente De Ronde Venen’, ‘7:408 HR 28 oktober 2011’, ‘7:408 BQ9854’, ‘7:408 duurovereenkomst’, ‘7:408 voldoende zwaarwegende grond’, ‘7:408 voldoende zwaarwegende reden’, ‘7:408 gewichtige grond’, ‘7:408 gewichtige reden’, ‘overeenkomst van opdracht BQ9854’, ‘overeenkomst van opdracht HR 28 oktober 2011’ en ‘overeenkomst van opdracht duurovereenkomst opzegging’.
Als deze eis wordt genoemd en wordt afgewezen zonder expliciete motivering of in algemene zin wordt verwezen naar de aangevoerde of hiervoor genoemde omstandigheden, dan merk ik dat aan als ‘niet apart ingegaan op de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging’.
Ik doel hiermee op HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin); HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 (Auping/Beverslaap); HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660 (Stichting Gooisch Natuurreservaat); HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134 (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent); HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270 (Nanada/Golden Earring); HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:445 (Voorst/Vitens); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:446 (Voorst/Liander).
Op verschillende omstandigheden is eerder in de rechtsliteratuur gewezen (De Mönnink, NJB 2009/1480; Visscher, TvOB 2011/6; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26; Schelhaas & Spanjaard, NJB 2020/881). Overigens is de omstandighedenlijst niet limitatief van aard.
De opdrachtnemer die zich erop beroept dat de opdrachtgever toch een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging moet hebben en dat een dergelijke grond ontbreekt, dient gemotiveerd te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat partijen een afwijking van de hoofdregel zijn overeengekomen, dan wel dat de feiten en omstandigheden van het geval een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen (art. 6:248 lid 1 BW). Dat de stelplicht en bewijslast bij de opdrachtnemer ligt, is het gevolg van het feit dat opzegbaarheid de hoofdregel is (Valk, NTBR 2012/25). Toch doet de opdrachtgever er verstandig aan de redelijke gronden voor opzegging aan de opdrachtnemer mede te delen, uiteraard voor zover die er zijn (zie in algemene zin HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0808 (Phoenix)). In de feitenrechtspraak ben ik meerdere keren de overweging tegengekomen dat opzegging door de opdrachtgever mogelijk is, zeker als daarnaast voor die opzegging redelijke gronden worden aangevoerd, zoals een prijsstijging (zie bijv. rb. Overijssel 29 april 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1727).
In sommige zaken werd onvoldoende (onderbouwd) gesteld (zie bijv. rb. Noord-Holland 12 juni 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:5118; hof Arnhem-Leeuwarden 3 mei 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3525).
Zie bijv. rb. Noord-Holland 12 juni 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:5118.
Tot min of meer vergelijkbare constateringen kwamen, hoewel deze betrekking hebben op m.n. de onbenoemde duurovereenkomst voor onbepaalde tijd, Tjong Tjin Tai, NJB 2012/685; concl. A-G Keus, ECLI:NL:PHR:2013:BZ4163 voor HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 (Auping/Beverslaap); Asser/Houben 7-X 2019/126; Houben & Nijland, MvV 2019/9.4.
Zie bijv. HR 1 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB7672 (Frenkel/KRO); HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0808 (Phoenix); rb. Amsterdam 8 juni 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AX7445. Zie in soortgelijke zin Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/90.
HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin); HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 (Auping/Beverslaap); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:445 (Voorst/Vitens); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:446 (Voorst/Liander). In bijv. het Gemeente De Ronde Venen/Stedin-arrest overwoog de HR dat de opgezegde partij in zijn bedrijfsvoering op geen enkele wijze afhankelijk was van de voortzetting van de overeenkomst, laat staan dat dit in een bijzondere mate het geval zou zijn.
Met contractdwang bedoel ik de situatie waarin het aangaan van de overeenkomst niet mag worden geweigerd, in welk geval het opzeggen van die overeenkomst doorgaans ook beperkt is (zie daarover Houben 2005, p. 253 e.v.).
Een voorbeeld uit de jurisprudentie waarin dit werd aangenomen, is de opzegging door de gemeente van de overeenkomst met een netbeheerder, terwijl laatstgenoemde in bijzondere mate afhankelijk was van die overeenkomst i.v.m. een zo laag mogelijk drinkwatertarief resp. energietarief (HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:445 (Voorst/Vitens); HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:446 (Voorst/Liander)), waarmee ook een maatschappelijk belang was gemoeid (zie daarover Houben & Nijland, MvV 2019/9.4).
Zie bijv. hof ’s-Hertogenbosch 10 april 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2301. Zie ook, hoewel meer impliciet, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 (Auping/Beverslaap), waarin het hof Leeuwarden had aangenomen dat een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging was vereist vanwege het feit dat Beverslaap voor een belangrijk deel van zijn omzet afhankelijk was van de omzet van Aupingproducten (hof Leeuwarden 17 januari 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV1085), maar de HR overwoog dat de door het hof genoemde omstandigheden niet zonder meer meebrengen dat een zodanige grond voor opzegging moet bestaan.
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163 (Auping/Beverslaap).
HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270 (Nanada/Golden Earring).
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
Het uitgangspunt bij de overeenkomst van opdracht is dat de opdrachtgever deze kan opzeggen (artikel 7:408 lid 1 BW). Ook de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder wettelijke of contractuele opzegregeling is in beginsel opzegbaar.1 Dit neemt niet weg dat aan deze opzegging nadere voorwaarden kunnen worden verbonden. De eisen van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) kunnen namelijk meebrengen dat (i) opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat, (ii) een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of2 (iii) de opzegging gepaard moet gaan met (het aanbod tot de betaling van) een (aanvullende) (schade)vergoeding.3 Ook aan de opzegging door de opdrachtgever kunnen onder omstandigheden deze regels worden verbonden (zie paragraaf 4.3). Hierna ligt het accent op de voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, wat impliceert dat er een grond moet bestaan die de opzegging kan dragen.4 Voorbeelden van zo’n grond kunnen zijn de verandering van de bedrijfsvoering naar aanleiding van een sterk veranderende markt, een ernstige vertrouwensbreuk of een handelsverbod dat ertoe leidt dat de uitvoering van de overeenkomst niet meer mogelijk is.
Of de opdrachtgever een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging moet hebben en, zo ja, of daarvan sprake is,5 bepaalt de rechter aan de hand van de redelijkheid en billijkheid, in samenhang met zowel de aard en inhoud van de overeenkomst als de omstandigheden van het geval.6 Hierbij kunnen zowel de omstandigheden aan de zijde van de opdrachtgever als die van de opdrachtnemer een rol spelen; er vindt als het ware een belangenafweging plaats.7 In de zoektocht naar aanknopingspunten ten aanzien van welke omstandigheden bij deze belangenafweging kunnen worden betrokken en hoe daaraan invulling wordt gegeven, heb ik twintig gepubliceerde uitspraken bestudeerd (zie bijlage 3 ‘Feitenrechtspraakonderzoek voldoende zwaarwegende grond voor opzegging’).8 De verzamelde feitenrechtspraak heeft betrekking op de periode tussen 28 oktober 2011 (datum van het Gemeente De Ronde Venen/Stedin-arrest) en 1 januari 2023. Vanwege de gekozen invalshoek van dit onderzoek zijn alleen de uitspraken bestudeerd die zien op de overeenkomst van opdracht die is aangegaan tussen twee niet-particuliere partijen, waarbij de opdrachtnemer tegen loon zijn diensten aanbiedt en de opdrachtgever de overeenkomst opzegt zonder dat contractueel is afgeweken van zijn wettelijke opzegbevoegdheid. Tijdens het analyseren van de rechtspraak heb ik in het bijzonder gelet op de volgende aspecten: (A) het bestaan van de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, (B) de vraag of op de aan- of afwezigheid van deze eis apart is ingegaan9 en (C) de vraag of is gekeken naar de hoedanigheid van partijen, meer specifiek naar (C1) de hoogte van de beloning en (C2) de economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer. Uit deze analyse, in combinatie met de ‘standaardarresten’ op dit gebied,10 volgt een vrij duidelijk beeld dat ik hierna verder zal toelichten. Ondanks dit duidelijke beeld moet voorzichtigheid in acht worden genomen bij het trekken van algemene conclusies op basis van het door mij verrichte rechtspraakonderzoek. Deze kanttekening heb ik ook geplaatst in paragraaf 3.3.1. De daar uitgewerkte voorzichtigheid en de daarvoor genoemde redenen – kort gezegd: het betreft louter gepubliceerde rechtspraak en de uitkomst van de procedure is afhankelijk van wat partijen in een procedure aanvoeren (artikel 24 Rv) – gelden ook in dit verband.
De bestudeerde rechtspraak heeft geleid tot de volgende omstandigheden, die bij de belangenafweging of sprake moet zijn van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, kunnen worden betrokken: (i) de door de opdrachtnemer gedane investeringen, (ii) de mate waarin de opdrachtnemer rekening heeft kunnen houden met de nieuwe situatie, (iii) de tijd en/of kosten die verband houden met de omzetting (van de bedrijfsvoering) van de opdrachtnemer vanwege de opzegging, (iv) de mate waarin de bedrijfsvoering van de opdrachtnemer afhankelijk is van de voortzetting van de overeenkomst, (v) de mate waarin de opdrachtnemer qua omzet afhankelijk is van de opdrachtgever, (vi) het maatschappelijk belang of belang van een derde dat (indirect) wordt geraakt door de overeenkomst, (vii) de duur van de samenwerking, (viii) de door de opdrachtgever opgewekte verwachtingen, respectievelijk het gerechtvaardigd vertrouwen van de opdrachtnemer dat de overeenkomst zou voortduren, (ix) de frequentie van de samenwerking, (x) de intensiteit van de samenwerking, (xi) de exclusiviteit van de samenwerking, (xii) de waarschuwingen van de opdrachtgever voorafgaand aan de opzegging en (xiii) de reden(en) voor de opzegging.11 Dat deze omstandigheden door rechters (kunnen) worden meegenomen in de belangenafweging, zegt op zichzelf bezien nog niets over de bruikbaarheid en het gewicht daarvan en de vraag of een bepaalde omstandigheid tot de conclusie kan leiden dat aan de opzegging de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging moet worden verbonden. Hoewel een conclusie over het voorgaande moeilijk is te trekken op basis van het door mij verrichte rechtspraakonderzoek, lijkt een aantal lijnen toch zichtbaar.
Op basis van de geanalyseerde rechtspraak constateer ik (voorzichtig) dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) zelden of nooit de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging meebrengt.12 Dat wordt niet anders vanwege de hoedanigheid van partijen, zo blijkt uit een nadere bestudering van de feitenrechtspraak. In zeventien van de twintig uitspraken gold de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging niet13 en in de overige drie gevallen was onduidelijk of daarvan sprake was, waarbij in alle uitspraken de conclusie luidde dat de opdrachtgever de overeenkomst kon opzeggen. Feitenrechters bezien doorgaans vooral of een opzegtermijn of (aanvullende) (schade)vergoeding voldoende compensatie kan bieden voor het eventuele nadeel dat de opdrachtnemer van de opzegging ondervindt.14 Hierdoor gaat het bij de opzegging van de duurovereenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd niet zozeer om de vraag of de opdrachtgever de overeenkomst kan opzeggen, maar veel meer over de (financiële) voorwaarden waaronder hij kan opzeggen (zie paragraaf 4.3.2 en 4.3.3). Dat lijkt niet meer dan rechtvaardig, aangezien anders de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever wordt ingeperkt, terwijl ook voldoende compensatie kan worden geboden door een minder ingrijpend middel. Die opvatting past bovendien bij het algemeen verbintenisrechtelijke uitgangspunt dat de duurovereenkomst van opdracht in beginsel opzegbaar is. Pas als blijkt dat de opdrachtnemer bescherming verdient die niet via een opzegtermijn of (aanvullende) (schade)vergoeding kan worden geboden, kunnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat voor de opzegging een voldoende zwaarwegende grond dient te bestaan.15 Zo’n situatie doet zich in feite alleen voor als het voortzetten van de overeenkomst wenselijk is ter bescherming van een belang van de opdrachtnemer dat niet puur financieel van aard is. Dit kan bijvoorbeeld in de overeenkomst besloten liggen. Hierbij valt te denken aan de opdrachtnemer die met het uitvoeren van de opdracht een reputatie of portfolio opbouwt, dan wel naamsbekendheid genereert.16 Als een deel van de vergoeding bestaat uit een immateriële vergoeding voor bijvoorbeeld de naamsbekendheid die de opdrachtnemer door de opdracht verkrijgt of de opdrachtgever meer in algemene zin weet of behoort te weten dat de opdrachtnemer (mede) vanwege dat andere belang de overeenkomst is aangegaan, dan zou dat een aanwijzing kunnen zijn dat voor de opzegging een voldoende zwaarwegende grond is vereist.
Een andere situatie waaraan kan worden gedacht, is als de bedrijfsvoering van de opdrachtnemer in bijzondere mate afhankelijk is van de voortzetting van de overeenkomst (omstandigheid iv).17 Dit houdt in dat de opdrachtnemer zonder deze overeenkomst in wezen zijn activiteiten niet meer kan verrichten, bijvoorbeeld omdat de opdrachtgever de enige aanbieder is of contractdwang bestaat.18 Zo’n geval ligt in ieder geval ten aanzien van de opdrachtnemer aan de onderkant – en misschien wel in bredere zin – niet voor de hand.19 Daarbij moet worden uitgekeken dat deze omstandigheid niet te gemakkelijk op één lijn wordt gesteld met de economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer ten opzichte van de opdrachtgever (omstandigheid v). Economische afhankelijkheid betekent immers niet dat de bedrijfsvoering van de opdrachtnemer afhankelijk is van de voortzetting van de overeenkomst. In deze context is wel overwogen dat het feit dat de opdrachtnemer die niet zomaar elders hetzelfde zou verdienen en naast de opdrachtgever geen andere inkomstenbron heeft, niet impliceert dat hij niet op een andere wijze inkomsten zou kunnen verwerven.20 Anders gezegd: de economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer tegenover de opdrachtgever leidt er nog niet toe dat de opdrachtnemer in zijn bedrijfsvoering (in bijzondere mate) afhankelijk is van de overeenkomst.
Verder zijn er in de rechtspraak wel ‘steunomstandigheden’ te vinden, waarmee ik doel op omstandigheden die op zichzelf bezien niet kunnen leiden tot de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, maar in combinatie met andere omstandigheden wel gewicht in de schaal kunnen leggen om uiteindelijk tot deze eis te komen. Een voorbeeld van zo’n steunomstandigheid is de duur van de overeenkomst (omstandigheid vii). In dit verband overwoog de Hoge Raad dat het feit dat partijen 8,5 jaar samenwerkten, niet ineens maakte dat voor de opzegging een voldoende zwaarwegende grond was vereist.21 Overigens ligt het weer wel voor de hand dat naarmate de overeenkomst langer bestaat, de kans groter is dat de opdrachtnemer afhankelijk(er) van de opdrachtgever is geworden, zowel qua bedrijfsvoering als in economisch opzicht.22
Alles overziend volgt uit de bestudeerde rechtspraak dat de opdrachtnemer aan de onderkant die een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, slechts sporadisch wordt beschermd door de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) in de vorm van de inperking van de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever. Dat is in mijn ogen niet anders als de opdrachtgever geen of slechts een zeer lichte reden voor de opzegging heeft. Ook dan moet namelijk een rechtvaardiging bestaan om de ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever (artikel 7:408 lid 1 BW) aan te vullen met de eis van de voldoende zwaarwegende grond voor opzegging (artikel 6:248 lid 1 BW), aangezien alleen wordt aangevuld als de rechtsverhouding tussen partijen dat behoeft.23 Voor de economisch onafhankelijke opdrachtnemer die een hoog tarief in rekening brengt, geldt in principe dezelfde conclusie.24 De hoedanigheid van partijen lijkt in deze context dan ook een geringe rol te spelen.