Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.2.1.2
6.2.1.2 Vergelijking met een political question-doctrine
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233636:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Van den Berg 2016, p. 24. Zie ook Schlössels 2015, p. 823: ‘Het arrest Noordwijkerhout/Guldemond wordt gedragen door de gedachte dat de burger zich steeds ten overstaan van een onafhankelijke en onpartijdige rechter moet kunnen verweren tegen overheidshandelen zodra volgens deze burger sprake is van een schending van zijn rechten. Het voorwerp van geschil, het recht waarin de aanlegger vraagt te worden beschermd, is bepalend.’
Bauw 2017, p. 19.
Schutgens 2009b, p. 774.
Zie in dezelfde zin Uzman en Boogaard 2016a, p. 9: ‘De vigerende jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van de bevoegdheid van de civiele rechter maakt het […] moeilijk om politiek getinte geschillen met een beroep op zijn onbevoegdheid buiten de deur te houden.’
De keuze van de Hoge Raad voor de objectum litis-leer garandeert dat een burger voor ieder geschil, hetzij met andere burgers, hetzij met de overheid, bij de rechter terecht kan, mits hij zijn vordering op juiste wijze insteekt. Dit komt de rechtsbescherming van burgers ten goede. De wens om burgers rechtsbescherming te bieden, lijkt dan ook de belangrijkste reden te zijn geweest voor de keuze van de Hoge Raad voor de objectum litis-leer.1 De burgerlijke rechter vervult daardoor een sleutelrol in de rechtsbescherming van burgers tegen de overheid.2 Dit maakt de keuze van de Hoge Raad goed verdedigbaar.
Dit geldt temeer wanneer de objectum litis-leer wordt vergeleken met de genoemde fundamentum petendi-leer. Zoals beschreven, ontbreekt het volgens die leer aan een geschil over een burgerlijk recht of een rechtsvordering, en is de burgerlijke rechter dus niet bevoegd, indien hij voor de beslechting van het geschil moet terugvallen op regels van het publiekrecht. Concreet zou dit betekenen dat veel geschillen tussen de burger en de overheid aan rechterlijk toezicht zouden worden onttrokken en dat de wetgever en het bestuur, zoals Schutgens heeft opgemerkt, vrijelijk hun beleid kunnen uitstippelen.3
De keuze van de Hoge Raad voor de objectum litis-leer noopt voor dit onderzoek tot een belangrijke conclusie. Inherent aan deze leer is dat de positie van de rechter ten opzichte van de andere staatsmachten en de politieke gevoeligheid van het geschil niet relevant zijn voor de bevoegdheid voor de rechter. Bepalend daarvoor is uitsluitend de aard van het recht waarop eiser zich beroept. De politieke gevoeligheid van het geschil kan voor de burgerlijke rechter daarom geen reden zijn om een geschil met een onbevoegdverklaring buiten de deur te houden.4