Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.2.1.1
6.2.1.1 Het arrest Guldemond/Noordwijkerhout (1915)
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233788:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover bijv. Schlössels, Schutgens en Zijlstra 2019, p. 138; Schutgens 2009b, 773; Van der Pot/Elzinga, De Lange en Hoogers 2014, p. 833.
Zie bijv. Schlössels, Schutgens en Zijlstra 2019, p. 140; Schutgens 2009b, p. 773.
Zie bijv. Schutgens 2009a, p. 19-20; Schutgens 2009b, p. 772-773.
Zie Nieuwenhuis in zijn noot onder het hierna te bespreken De Nieuwe Meer-arrest (AA 1986, p. 639). Vgl. ook Schutgens 2009b, p. 773; Bovend’Eert/Kortmann 2013, p. 311; Van der Pot/Elzinga, De Lange en Hoogers 2014, p. 833.
Schutgens 2009b, p. 774; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2016, p. 267-268.
Bovend’Eert/Kortmann 2013, p. 311-312.
Het arrest Guldemond/Noordwijkerhout gaat over een geschil tussen de heer Guldemond en de gemeente Noordwijkerhout over de demping van een door Guldemond gegraven sloot. Deze sloot liep door bos- en weidegronden waarvan Guldemond eigenaar was en doorkruiste een al langere tijd bestaand openbaar voetpad. De gemeente was dit een doorn in het oog. Zij besloot daarom de sloot ter hoogte van het voetpad te dempen. Daarbij deed de gemeente een beroep op haar uit de Gemeentewet voortvloeiende taak om openbare wegen te beheren en te onderhouden. Guldemond meende dat de demping van de sloot een inbreuk maakte op zijn eigendomsrecht. Bij de rechtbank en het gerechtshof werd hij in het gelijk gesteld.
De gemeente betoogde in cassatie dat de rechter niet bevoegd was om van dit geschil kennis te nemen. Volgens de gemeente vormde de demping van de sloot een rechtmatige uitoefening van de in de Gemeentewet neergelegde bevoegdheid om zorg te dragen voor het onderhoud van wegen. Voor een rechterlijke beoordeling van de wijze waarop de gemeente van deze bevoegdheid gebruik had gemaakt, was volgens de gemeente geen plaats.
Dit principiële betoog van de gemeente dwong de Hoge Raad stelling te nemen in een al langer gevoerd debat over de reikwijdte van de rechterlijke bevoegdheid.1 Daarbij werden twee benaderingen onderscheiden: de fundamentum petendi-leer en de objectum litis-leer. Volgens de eerstgenoemde leer – waarop de gemeente zich beriep – is de aard van het recht aan de hand waarvan het geschil moet worden beslecht bepalend voor de rechterlijke bevoegdheid. Concreet betekent dit dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om van een geschil kennis te nemen wanneer hij voor de beslechting daarvan moet terugvallen op het publiekrecht. De objectum litis-leer kiest voor een andere, ruimere insteek. Volgens deze leer is sprake van een geschil over een burgerlijk recht of burgerlijke rechtsvordering wanneer eiser vraagt te worden beschermd tegen een inbreuk op zijn, aan het burgerlijke recht te ontlenen, subjectieve rechten. Daarbij gaat het om de door de eiser gestelde rechtsverhouding en niet om de werkelijke rechtsverhouding. Dat een geschil direct of indirect raakt aan regels van het publiekrecht, is niet bepalend. Voldoende is dat eiser bescherming of nakoming van een civielrechtelijke aanspraak eist.
In het arrest Guldemond/Noordwijkerhout heeft de Hoge Raad een keuze gemaakt voor de objectum litis-leer. Steun daarvoor ontleende hij mede aan de parlementaire geschiedenis:
‘Overwegende, dat uit een en ander valt af te leiden, dat […] de uitsluitende bevoegdheid van de rechterlijke macht afhankelijk [is] gesteld van het voorwerp van het geschil, dat is van het recht waarin de aanlegger vraagt te worden beschermd, en niet van den aard van het recht waarop de verweerder zijn verweer grondt.’
Omdat Guldemond had aangevoerd dat de demping van zijn sloot door de gemeente inbreuk maakte op zijn eigendomsrecht, was de burgerlijke rechter bevoegd van het geschil kennis te nemen. Dat het geschil verband hield met de in de Gemeentewet neergelegde bevoegdheden, en daarom mede een uitleg van regels van het publiekrecht vergde, maakte dit niet anders.
Op een enkele – later te bespreken – uitzondering na, heeft de Hoge Raad aan deze ruime uitleg strikt vastgehouden.2 Concreet heeft deze uitleg tot gevolg dat de burgerlijke rechter altijd bevoegd is om van een geschil kennis te nemen, mits eiser zijn vordering op juiste wijze insteekt.3 Dit is een eenvoudig te nemen horde: door simpelweg een beroep te doen op het eigendomsrecht, onrechtmatige daad, of andere rechten of leerstukken van het burgerlijk recht, kan een eisende partij zijn geschil binnen de bevoegdheid van de burgerlijke rechter brengen. In de literatuur is de objectum litis-leer dan ook treffend als de ‘leer van Ali Baba’ of in vergelijkbare termen omschreven.4 In de praktijk komt het daardoor vrijwel niet meer voor dat de burgerlijke rechter zich onbevoegd verklaart.5
Daarmee is echter niet gezegd dat de ruime bevoegdheid van de burgerlijke rechter geen vragen oproept. Dit geldt onder meer voor de taakverdeling met de bestuursrechter. Zoals later in dit hoofdstuk zal worden toegelicht, heeft de wetgever in de vorige eeuw een uitgebreid stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming ontwikkeld. Dit stelsel maakt het mogelijk om bepaalde besluiten van bestuursorganen bij de bestuursrechter aan te vechten. De door de Hoge Raad aanvaarde objectum litis-leer brengt mee dat de burgerlijke rechter ook bevoegd is zich daarover uit te spreken. Zoals hierna zal blijken, heeft de burgerlijke rechter daarom aanvaard dat de bestuursrechtelijke rechtsgang in beginsel voorgaat. Deze regel raakt echter niet aan de bevoegdheid of aan de vraag of een inhoudelijke beoordeling al dan niet in de rede ligt, maar aan de vraag welke rechter daartoe het beste in staat is en daarmee aan de ontvankelijkheid.6