Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.5.1
4.3.5.1 Relevantie van een voorbehoud
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661484:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 23 juni 1982, nr. 21 172, BNB 1982/236, waarin de Hoge Raad vanwege het uitdrukkelijke voorbehoud toetsing aan het dispositievereiste niet meer relevant acht. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 12 juni 2009, nr. BK 84/08, V-N 2009/43.1.3; Rechtbank Leeuwarden 23 september 2009, nr. AWB 09/3033, V-N 2010/63.3.1, r.o. 3.3.
Bijv. r.o. 5.5 van de hofuitspraak in HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10. In Hof Leeuwarden 16 augustus 2002, nr. 02/0301, V-N 2003/30.18 slaagt het beroep op gewekt vertrouwen door aangifteprogramma wel omdat daarin – anders dan in BNB 2002/45 – juist geen voorbehoud was opgenomen. Vgl. de uitspraak van de Nationale ombudsman van 10 november 2003 in V-N 2003/61.27; Rechtbank Noord-Nederland 27 juli 2017, nr. AWB LEE - 16 _ 4535 t/m 16 _ 4540, V-N 2017/60.19.8; Rechtbank Gelderland 11 april 2019, nr. AWB - 18 _ 6250, V-N 2019/38.15; Hof Amsterdam 1 december 2021, nr. BKDH-21/00970 en nr. BKDH-21/00971, V-N Vandaag 2021/3239, r.o. 5.3.3-5.3.4.
Vgl. de redactie in V-N 2002/4.1: ‘De belastingdienst heeft met de term 'onder voorbehoud' een beperkende clausule aangebracht, kennelijk om bij voorbaat te bereiken dat hij aan onvermoede uitkomsten van het rekenmodel niet zal zijn gehouden.
Overigens kwalificeert de Hoge Raad deze uiting niet, maar in de literatuur wordt deze zaak veelal behandeld bij de categorie voorlichting. Vgl. Geradts in FED 2002/469, die vaststelt dat de Hoge Raad aan toetsing van de criteria uit de rechtsregel bij voorlichting niet toekomt ‘omdat het vertrouwen weggecontracteerd was en dat wegcontracteren reeds aan een beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg stond’. Zie ook de redactie in V-N 2002/4.1.
HR 16 november 2007, nr. 43 084, BNB 2008/21, r.o. 3.5. Zie ook Hof Leeuwarden 16 augustus 2002, nr. 02/0301, V-N 2003/30.18; Nationale ombudsman van 10 november 2003 in V-N 2003/61.27; Rechtbank Noord-Nederland 27 juli 2017, nr. AWB LEE - 16 _ 4535 t/m 16 _ 4540, V-N 2017/60.19.8; Rechtbank Gelderland 11 april 2019, nr. AWB - 18 _ 6250, V-N 2019/38.15; Hof Leeuwarden 2 juli 2004, nr. BK 644/03, V-N 2004/62.4. Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.A (bijgewerkt tot 12 december 2021) werpt de vraag op hoe de Hoge Raad na BNB 2022/10 zal oordelen over een voorbehoud in voorlichtingsmateriaal.
Van Leijenhorst in BNB 2002/45.
Geradts in FED 2002/469. Zij bepleit een genuanceerdere benadering, waarin een disclaimer wel mogelijk is bij bijvoorbeeld een kenbare verschrijving, maar niet bij een onjuiste wetsinterpretatie.
Volgens de belastingrechter kan de aanwezigheid van een voorbehoud aan het beschermen van gewekt vertrouwen in de weg staan.1 Bovendien laat de jurisprudentie het omgekeerde effect zien: de afwezigheid van een voorbehoud kan volgens de belastingrechter het gewekte vertrouwen versterken.2
Belangrijk arrest inzake een voorbehoud betreft BNB 2002/45. In deze zaak ging het om een rekenhulp bij het aangifteprogramma, waarin een voorbehoud was gemaakt dat aan de berekening geen rechten kunnen worden ontleend.3 Dit voorbehoud betrof dus een algemene disclaimer. De Hoge Raad oordeelt dat het voorbehoud in het aangifteprogramma bij de berekening tevens geldt als een voorbehoud ten aanzien van de in de uitkomst van de berekening besloten liggende rechtsopvatting. Reeds vanwege de disclaimer slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Aan toetsing van de twee criteria komt de Hoge Raad niet toe.4 In latere rechtspraak is deze lijn bestendigd.5
In de literatuur is zeer kritisch gereageerd op de bovengenoemde koers van de Hoge Raad. Zo betoogt Van Leijenhorst in BNB 2002/45 dat de Hoge Raad hiermee de Belastingdienst alle mogelijkheid biedt om niet gebonden te worden aan gewekt vertrouwen. ‘De Hoge Raad maakt het de opstellers van wetten en beleidsregels wel bijzonder makkelijk om het ontstaan van vertrouwen contra legem uit te sluiten. Een simpel voorbehoud volstaat.’6 Op deze manier creëert de Hoge Raad volgens hem de ingrijpende mogelijkheid om ‘met standaardclausules de toepassing van het vertrouwensbeginsel aan banden te leggen.’ Minstens even kritisch is Geradts in haar FED-commentaar bij deze zaak. Zij acht een dergelijke ‘exonoratie-toverformule’ – waardoor nooit sprake kan zijn van gerechtvaardigd vertrouwen – te ongenuanceerd en te ingrijpend.7
Mijns inziens is de kritiek terecht. Een algemeen voorbehoud mag geen vrijbrief zijn voor de Belastingdienst om te voorkomen dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor de inhoud van zijn uitingen. Dat is, communicatief bezien, oncoöperatief (paragraaf 5.7.3). Daarentegen kan een specifiek voorbehoud zinvol zijn om ervoor te zorgen dat bij de burger niet meer of minder verwachtingen ontstaan dan adequaat is in de gegeven situatie. Ik kom hierop terug in het kader van de taalkundige strategie van ‘hedging’ (zie paragraaf 5.7.3).