De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.10.1:5.5.10.1 Gemotiveerd antwoord?
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.5.10.1
5.5.10.1 Gemotiveerd antwoord?
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399531:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (Wansink), p. 355 - 2 e.v.
In algemene zin licht het Waarborgfonds Motorverkeer 'het publiek' en dus ook benadeelden wel voor, onder meer met informatie op zijn website (www.wbf.nl) en met foldermateriaal. Uit de wet of de Richtlijn volgt een verplichting daartoe echter niet.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Reeds met de 2e Richtlijn is aan het waarborgfonds de verplichting opgelegd om de benadeelde die zich tot het fonds wendt:
"aan de hand van de inlichtingen die het op zijn verzoek van het slachtoffer heeft gekregen, een met redenen omkleed antwoord met betrekking tot de betaling van een vergoeding te geven."
Zie thans art. 10 lid 2, eerste alinea van de Richtlijn. Deze verplichting lijkt enigszins op de verplichting die op de verzekeraar, zijn schaderegelaar en het Bureau rust, om een gemotiveerd antwoord te geven op een verzoek om schadevergoeding, maar er zijn een paar belangrijke verschillen. In de eerste plaats is het waarborgfonds naar de letter van de Richtlijn niet gehouden een aanbod te doen, hetgeen voor de verzekeraar, de schaderegelaar en het Bureau wel geldt, vooropgesteld dat aansprakelijkheid en schadeomvang vaststaan. In de tweede plaats behoeft het waarborgfonds, anders dan de genoemde andere partijen die daarvoor een termijn van drie maanden hebben, niet binnen een door de Richtlijn bepaalde termijn te antwoorden.
Dit lijkt een lacune in de Richtlijn. Een termijn van drie maanden voor een reactie van het waarborgfonds en de verplichting om een regelingsaanbod te doen als alle gegevens beschikbaar zijn, zou de positie van de benadeelde versterken. Wel moet er rekening mee worden gehouden dat het waarborgfonds in een andere positie verkeert dan de verzekeraar. In veel gevallen zal het waarborgfonds geen of beperktere mogelijkheden hebben om de toedracht van het ongeval te achterhalen.
Dat geldt niet alleen bij ongevallen die door onbekenden zijn veroorzaakt (daar kan het waarborgfonds de lezing van de aansprakelijke niet vragen), maar ook als de aansprakelijke onverzekerd is, zal diens versie van het verhaal niet gemakkelijk boven water komen. De praktijk leert dat onverzekerden veelal menen dat de bui wel zal overdrijven als zij niet reageren.
Dit betekent dat voor wat betreft de reactie van het waarborgfonds bij de uitleg van het begrip 'met redenen omkleed antwoord' rekening moet worden gehouden met de bijzondere bewijspositie die het waarborgfonds inneemt. Terwijl een verzekeraar zich maar beperkt zal kunnen 'verschuilen' achter het argument dat zijn verzekerde hem zijn lezing van de gebeurtenissen nog niet heeft gegeven, zou het waarborgfonds dit argument wel moeten kunnen hanteren, vooropgesteld dat de toedracht niet uit andere bron vaststaat.
In de Wam is de verplichting van art. 10 lid 2, eerste alinea van de Richtlijn neergelegd in art. 25 lid 3. Wansink legt deze bepaling aldus uit, dat "iedereen die zich voor schadevergoeding tot het fonds wendt, (...) een nadere uiteenzetting van deze voorwaarden voor uitkering en van de daarbij te bewandelen wegen (ontvangt)".1 Strikt genomen staat zulks niet in de Wam. Het Waarborgfonds Motorverkeer is alleen verplicht met redenen omkleed aan te geven of het tot vergoeding zal overgaan, dan wel waarom het daartoe (nog) niet gehouden is.2
Wansink, t.a.p., wijst er daarnaast met recht op dat art. 25 lid 3 meebrengt dat alleen benadeelden die vergoeding van de rechtstreeks door hen geleden schade vorderen, een met redenen omkleed antwoord behoeven te krijgen. Zo is de bepaling inderdaad geredigeerd, maar de Wam heeft aldus de Richtlijn niet juist omgezet. De Richtlijn maakt immers geen onderscheid tussen directe slachtoffers en regres-nemers. Ook deze laatsten zijn benadeelden in de zin van de Richtlijn en hebben dus naar de letter aanspraak op een met redenen omkleed antwoord. Zie voor het begrip benadeelde (en de verwarrende formulering van de Nederlandse versie van de Richtlijn) paragraaf 4.2.