Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.4.2
2.4.2 Het juridische kader
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232274:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
D. Van Gerven, in: Koen Byttebier, Evy De Baselier & Elke Janssens, Een analyse van de nieuwe VZW-wet (Reeks Vakgroep Economisch Recht V.U.B.), Antwerpen-Apeldoorn: Maklu 2004, p. 29-30.De angst voor de dode hand mag afgenomen zijn, voorbij is zij nog niet helemaal; zie ook Huussen-de Groot 1976, p. 24-30. Denef en Van der Ploeg merken in 2006 op dat de vrees voor de dode hand uit de napoleontische tijd komt maar dat ‘meer dan tweehonderd jaar later zouden de Belgen wel bevrijd mogen zijn van het spookbeeld van de ‘dode hand’’, M.E.R. Denef & T.J. van der Ploeg, ‘Nieuw verenigingen- en stichtingenrecht in België, een vergelijking met Nederland en een uitdaging in twee richtingen’, Tijdschrift voor Ondernemingsbestuur 2006/1.
Wet van 2 mei 2002 (B.S. 11 december 2002), in werking getreden op 1 juli 2003 (artikel 4 Koninklijk Besluit van 2 april 2003, B.S. 6 juni 2003), de V&S-wet. Deze wet is per 1 mei 2019 opgenomen in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV), Wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, in werking getreden op 1 mei 2019, B.S. 4 april 2019. Op vennootschappen, verenigingen en stichtingen die bestaan op 1 mei 2019 is het nieuwe WVV voor het eerst van toepassing per 1 januari 2020, artikel 39 § 1 Wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen. De WVV houdt voor de stichting geen materiële wijzigingen in ten opzichte van de V&S-Wet, Parl. St. Kamer, DOC 54 3119/001, p. 21 (memorie van toelichting Wetsontwerp tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen).
Van Gerven 2007, nr. 278.
Van Boven 2011, nr. 187.
Joeri Vananroye, ‘Le bel exès: een voorstel voor hervorming van het recht voor vzw’s en stichtingen met minder regels en een strengere handhaving’, Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap 2015, p. 275-283. De Belgische private stichting is een reactie op de in België populaire Nederlandse stichting-administratiekantoor. In de parlementaire behandeling wordt de introductie van de Belgische stichting als volgt verwoord: ‘een nationaal juridisch instrument creëren dat de mogelijkheid biedt effecten te certificeren teneinde te voorkomen dat onze medeburgers vervelende buitenlandse reizen moeten verrichten [sic] om aldaar te verkrijgen wat ons recht hen niet kan bieden’, Parl. St. Senaat 2000-2001, nr. 2-283/16, p. 146. Zie ook Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 1854/1, p. 4: ‘De invoering van deze nieuwe vorm biedt aan de stichter ervan de mogelijkheid een patrimonium voor een belangeloos oogmerk in te zetten, waarbij dit oogmerk niet noodzakelijk van openbaar nut hoeft te zijn (...).’ In 4.3.2.3 ga ik in op de vraag wat de betekenis is van ‘belangeloos doel’.
Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer 1998-99, nr. 1854/1, 24. Hierover kritisch, Joeri Vananroye, ‘Le bel exès: een voorstel voor hervorming van het recht voor vzw’s en stichtingen met minder regels en een strengere handhaving’, Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap 2015, p. 275-283: ‘Het is zoals de haas die vis wordt gedoopt om hem op een vastendag te kunnen opeten.’
De angst voor vermogen in de dode hand is in België afgenomen, wat kennelijk liberalisatie van de mogelijkheid tot het oprichten van stichtingen tot gevolg had.1 Sinds 1 juli 2003 maakt de wet het in België mogelijk twee varianten van de privaatrechtelijke stichting op te richten: de stichting van openbaar nut en de private stichtingen.2 Beide stichtingsvormen hebben rechtspersoonlijkheid (artikel 1:7 WVV).
Een stichting van openbaar nut moet werkzaam zijn op filantropisch, levensbeschouwelijk, religieus, wetenschappelijk, artistiek, pedagogisch of cultureel gebied.3 Een stichting van openbaar nut moet worden erkend door de minister van Justitie.4
De private stichting moet een belangeloos doel nastreven, zo blijkt uit artikel 1:3 WVV. De Belgische wetgever wenste tegelijkertijd dat de private stichting gebruikt zou kunnen worden als administratiekantoor bij certificering van aandelen.5 De eis van belangeloos doel is echter lastig in overeenstemming te brengen met de mogelijkheid van de stichting als administratiekantoor bij certificering van aandelen. Een stichting-administratiekantoor heeft een niet-ideëel doel, terwijl dat voor een private stichting verplicht is. Bij de parlementaire behandeling is gepoogd deze tegenstelling te overbruggen door het ‘bewaren van het familiale karakter van een onderneming’ als belangeloos doel aan te merken.6
Voor het onderzoek is hier van belang dat in België een stichting bij uiterste wilsbeschikking kan worden opgericht (artikel 2:5 § 3 WVV).
2.4.2.1 De oprichting bij dode van een stichting in België2.4.2.2 De oprichting van een stichting is feitelijk pas mogelijk sinds 1 juli 20032.4.2.3 De verkrijging van rechtspersoonlijkheid2.4.2.4 De wil van de oprichter2.4.2.5 De rol van het vermogen