Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/6.5.2.1:6.5.2.1 De verhouding tussen 155 en 169 Gemeentewet
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/6.5.2.1
6.5.2.1 De verhouding tussen 155 en 169 Gemeentewet
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Door de dualisering zijn het vragen- en interpellatierecht in de Gemeentewet opgenomen. Art. 155 lid 1 Gemeentewet kent raadsleden het recht toe mondeling of schriftelijk vragen te stellen aan het college of de burgemeester. De schriftelijke vragen spreken voor zich. Voor wat betreft de mondelinge vragen blijkt uit de Memorie van Toelichting dat de regering een vragenuur in de sfeer van art. 136 RvOTK (het dinsdagse vragenuur in de Tweede Kamer) voor ogen stond.1Art. 155 lid 2 voorziet in het interpellatierecht waarvoor, net als bij zijn landelijke tegenhanger (art. 133 RvOTK), aan de raad verlof moet worden gevraagd. Ook hier ligt de ratio van dit verlof in het gegeven dat de interpellatie handelt over iets dat vreemd is aan de orde van de dag en waarvoor de raadsagenda dus dient te worden aangepast. Art. 155 lid 2 laat in het midden hoe de raad tot het besluit komt het gevraagde verlof te verlenen. Uit de laatste volzin van dit artikellid blijkt dat de raad zelf nadere regels moet stellen. In de toelichting bij de VNG-modelverordening ten aanzien van de gemeentelijke Reglementen van Orde (verder model-RvO) blijkt dat toenmalig minister Pechtold (Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties) in 2005 een voorkeur heeft uitgesproken voor een interpellatierecht dat door een significante raadsminderheid kan worden afgedwongen.2 In het model-RvO kiest de VNG voor een meerderheidsbeslissing (art. 38 model-RvO).
Voor wat betreft de positie van de leden van de raad voegen deze rechten niet zo veel toe aan 169 Gemeentewet. Het individuele inlichtingenrecht zit al besloten in art. 169 lid 3 Gemeentewet, waar dit artikel spreekt van "de door een of meer leden gevraagde inlichtingen". Art. 155 Gemeentewet moet dan ook vooral worden gezien als de wettelijke verankering van een tweetal instrumenten om de doelstellingen van art. 169 Gemeentewet — het verschaffen van inlichtingen aan de raad — te bereiken. Hoewel het vragen- en interpellatierecht als uitwerkingen van art. 169 Gemeentewet evenzeer in de gemeentelijke reglementen van orde hadden kunnen worden geregeld, is er op zich niets mis met het verschaffen van een wettelijke grondslag. Kennelijk beschouwde de wetgever deze instrumenten als essentialia van het inlichtingenrecht, die voor elke gemeente gelijkelijk moeten gelden. De wettelijke verankering van deze rechten moet echter niet leiden tot het beeld dat alleen deze rechten invulling kunnen geven aan het art. 169 lid 3 Gemeentewet. Deze instrumenten zijn niet limitatief. Niets staat een raadslid in de weg om bijvoorbeeld tijdens de behandeling van een ontwerp-verordening om inlichtingen te vragen. Het college is ook dan op grond van art. 169 lid 3 Gemeentewet gehouden tot antwoorden.
Dat art. 155 Gemeentewet moet worden gezien als (een deel van) het instrumentarium in het kader van art. 169 Gemeentewet, is kennelijk voorbijgegaan aan de opstellers van het model-RvO van de VNG. In artikel 41 model-RvO wordt het verzoek om inlichtingen ex art. 169 lid 3 Gemeentewet namelijk opgevoerd als een afzonderlijk inlichtingeninstrument, naast de mondelinge en schriftelijke vragen (art. 39 en 40 model-RvO) en de interpellatie (art. 38 RvO). Ook de auteurs van het Handboek van het Nederlandse gemeenterecht zijn een dergelijke opvatting toegedaan. Zij schrijven dat het vragen- en interpellatierecht manieren zijn om buiten de reguliere procedure van art. 169 lid 3 Gemeentewet te vragen om inlichtingen.3 Hiermee wordt gesuggereerd dat art. 155 Gemeentewet een zelfstandige betekenis heeft buiten art. 169 lid 3 Gemeentewet. Alleen al vanwege het simpele gegeven dat art. 155 Gemeentewet niet voorziet in een plicht tot antwoorden (dat wil zeggen: de verplichting de gevraagde inlichtingen ook daadwerkelijk te verstrekken), kan dit artikel deze zelfstandige betekenis niet hebben. Deze verplichting kan namelijk alleen worden gevonden in art. 169 lid 3 (of voor de burgemeester als afzonderlijk orgaan in art. 180 lid 3) Gemeentewet.
Het gevaar van deze opvatting schuilt hierin dat de hierna te behandelen verschoningsgrond dan niet zou gelden bij mondelinge en schriftelijke vragen of tijdens een interpellatie. Deze verschoningsgrond wordt namelijk niet genoemd in art. 155 Gemeentewet, maar alleen in art. 169 lid 3 Gemeentewet. In dit verband zou het toch raadzamer zijn de landelijke systematiek te volgen waarin het vragen- en interpellatierecht kunnen worden gezien als uitwerkingen van de algemene inlichtingenplicht uit art. 68 GW. Anders zou het verstrekken van in eerste instantie geweigerde informatie alsnog kunnen worden afgedwongen door bijvoorbeeld een schriftelijke vraag te stellen.