Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.2.6.2.2
2.2.6.2.2 Tweede fase: Grondwet van 1848: vrijheid van onderwijs
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977049:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wetten van 11 oktober 1848, Stb. 1848, nrs. 59-70, Scholten 1928, p. 11, 68-71. Artikel 194 (1848) wordt 192 (1887). In 1917 is artikel 192 gewijzigd in: Het onderwijs is een voorwerp van aanhoudende zorg der Regering.
Ibid., p. 82.
Ibid., p. 82.
Ibid., p. 87.
G. Groen van Prinsterer, Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatsrecht getoetst, 1837. Het eerste strijdgeschrift naast het blad De Protestant, zie: E. Bos, ‘Godsdienstpolitiek onder de Oranjevorsten’, in: Van Bijsterveld & Steenvoorde 2013, p. 25.
Vgl. Voorduin 1848.
Staatsblad 1848, 42-47 en 48-53.
Boekholt 2000, p. 18.
Artikel 194 Gw.
Vgl. Van Wezel 1989.
Kamerstukken II 1854/55, III, nrs. 1-3, Witlox 1969, p. 146 en M. Leenders, ’Loyaliteit en Nederlanderschap. Staatsburgerschapswetgeving tussen 1850 en 1985’, Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2007.
Kamerstukken II 1855/56, 30 december 1855, gewijzigd-ontwerp-Van Reenen, Oosterlee 1929, p. 150-156, Langedijk 1947 en 1953.
Wet van 13 augustus 1857, Stb. 1857, nr. 103; vgl. Brouwer 1981, Ph. Kohnstamm, J. van der Brugghen, Amsterdam: Ten Have z.j. en Anonymus 1857. (Van der Brugghen behoort tot de ethisch-irenische richting in de orthodox-Protestantse kerk en Groen van Prinsterer tot de confessionele richting).
Idenburg 1964, p. 37, G. Groen van Prinsterer, Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam, Amsterdam 1876 en Het lager onderwijs en artikel 194 der Grondwet, ’s-Gravenhage 1864 en Diephuis 1859, p. 160-166.
Ibid., p. 1114 e.v.
Aerts 2018, p. 526.
J.E. van Renesse, ’Het lager onderwijs in Nederland sedert 1857’, Haarlem: TjeenkW 1886.
Feikema 1929, p. 9, Oosterlee 1929, p. 239-242 en Douma 1922, p. 189.
Het mandement der Nederlandse bisschoppen over het onderwijs anno 1868. Met een voorwoord van C.D. Wesseling, redacteur van ‘De Katholieke Onderwijzer’, 's-Gravenhage 1905, Te Velde & Verhage, 1996, p. 70, J.F. Jansen, Het openbaar onderwijs in Nederland is godsdienstig en nationaal. Een woord naar aanleiding van het mandement der r.c. bisschoppen, Leeuwarden: Miedema 1869 en G.M.A. Jansen, ‘Geschiedenis van de ‘neutraliteit’ in Nederland’, De Katholiek 1907, 131, p. 189-213.
Klassiek grondrecht: de vrije school
Met de grondwetsherziening van 1848 is – mede als antwoord op de wensen van calvinisten en Rooms-Katholieken – in artikel 194 de vrijheid van onderwijs als klassiek grondrecht vastgelegd.1 Thorbecke achtte de roep om vrijheid van onderwijs voldoende gemotiveerd ‘als men overtuigd is dat werkzaamheid der particulieren, aan zich zelven overgelaten, doelmatiger in deze groote volksaangelegenheid kan voorzien, dan door de regering geschied is’.2 Vrijheid van onderwijs is voor Thorbecke geen uit gewetensvrijheid voortvloeiend sequeel, maar ‘zuiver utilitistisch’, immers: ‘Is de verstandsvorming beter door de staat of door particulieren te ondernemen?’.3 Het is Thorbecke ‘tot op zekere hoogte onverschillig of de staat dan wel de particulieren de school inrichten’.4 Voor de confessioneel polemist Groen van Prinsterer - als verbaal gevreesd woordvoerder van de Afgescheidenen die in 1834 ‘de akte van Afscheiding en Wederkeer’ tekenden - is deze kwestie als een gewetenszaak veel principiëler.5 Hij strijdt voor leerstellig-christelijk onderwijs en protestants-christelijke politiek. De richting van de school maakt daarvan een wezenlijk deel uit.
Vrijheidsmotief (Thorbecke) of religieus motief (Groen van Prinsterer)
Beide motieven, het pragmatische vrijheidsmotief van de liberaal Thorbecke en het religieuze motief van Groen van Prinsterer, vormen bij de grondwetsherziening 1848 voldoende basis voor de erkenning van de vrijheid van het bijzonder onderwijs.6 Na de nodige parlementaire deliberaties wordt in 1848 de vrijheid van onderwijs, als grondslag van een duaal stelsel, een feit. Enerzijds geldt op grond van het eerste lid de primaire staatszorg voor het openbaar onderwijs (artikel 194 lid 1 Gw 1848) als een voorwerp van de aanhoudende zorg van de regering. Anderzijds is er vrijheid van het bijzonder onderwijs (artikel 194 lid 4 Gw 1848): het geven van onderwijs is vrij.7 De openbare school, het natievormende project bij uitstek, verliest haar monopolie.8 De inrichting van het openbaar onderwijs is, met eerbiediging van ieders godsdienstige overtuiging, geregeld. Daarnaast is het geven van onderwijs door ieder die aan de eisen van bekwaamheid en zedelijkheid voldoet, vrij, behoudens overheidstoezicht.9 De stichting van bijzondere lagere scholen behoeft niet langer autorisatie en verplicht evenmin tot christelijk neutraal onderwijs.
Gemengde openbare scholen regel
De eerste belangrijke horde is genomen, maar hoe verder? Dient er nu ook (een vorm van) overheidsfinanciering voor het bijzonder lager onderwijs te komen, mogelijk een financiële gelijkstelling? De schoolstrijd gaat voort.10 In het na de grondwetsherziening 1848 verschenen ontwerp-Van Reenen (1854) ontbreekt ‘elk christelijk tintje’.11 Doel van het lager onderwijs is een neutrale algemene ontwikkeling van leerlingen te bevorderen. De lokalen van het openbaar lager onderwijs zijn dagelijks één uur buiten de schooluren beschikbaar voor het leerstellig godsdienstonderwijs. De regel is het oprichten van gemengde openbare scholen, waarbij artikel 4 Ontwerp door plaatselijke omstandigheden openbare scholen voor gelijkgezinden toelaat te stichten.
Denominatief burgerschap
Groen van Prinsterer trekt door zijn forse kritiek het kleed onder het ontwerp weg, zonder te weten dat het gewijzigd ontwerp eind 1855 nog minder zou voldoen aan zijn eisen.12 Idenburg schetst de hieruit voortgekomen LO-wet van 1857 (Van der Brugghen)13 als ‘een mijlpaal in de geschiedenis van het Nederlandse schoolwezen: het is deze wet die ons onderwijs uit de machtsorde van het autocratisch bewind naar de rechtsorde van de constitutionele staat heeft overgebracht’.14
Neutrale lagere school: beperkte subsidie door lagere overheden mogelijk
In plaats van de christelijke openbare school van 1806 komt er de neutrale openbare school van 1857. Immers, de onderwijzer onthoudt zich van ‘iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden’.15 Tot een rijkssubsidie voor het bijzonder lager onderwijs komt het niet.16 Gemeente- en provinciesubsidie zijn ingevolge de nieuwe onderwijswet wel mogelijk, onder voorwaarde van een algemene toelating en het afzien van leerstellig onderwijs.17 Openbare scholen zijn door de (lagere) overheid gesticht en door overheidsbekostiging in stand gehouden (artikel 3, 2e volzin, LO-wet van 1857).
Nederlandsche Schoolverbond
Uit een in 1872 door Thorbecke aangeboden rapport over de periode 1857 tot 1869 blijkt nog veel aan de inrichting van het onderwijs te ontbreken. Een rapport van het in 1860 opgerichte Nederlandsche Schoolverbond schetst eenzelfde tekort, en de noodzaak tot verbetering van de toestand waarin met name de arbeiderskinderen verkeren.18 Van substantiëler betekenis voor de nationale verhoudingen zijn in 1864 de encycliek Quanta Cura en de Syllabus Errorum, waarin de Paus over de liberale onderwijspolitiek een veroordeling uitspreekt, op een moment dat de liberalen de Rooms-Katholieken een voorzichtige hand bij de realisering van hun eisen (b)lijken toe te steken. Het Nederlandse R.K. Episcopaat komt in 1868 met een mandement of directief: ‘R.K. leerlingen behoren op een R.K. school en kunnen alleen als ‘droevige noodzakelijkheid’ uitwijken naar een vrijzinnig-liberale school of school ‘van onbepaalde godsdienstigheid’.19