Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/8.5.5.3
8.5.5.3 Meer zorg
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713199:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 30 januari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3861, r.o. 4.1.3 (curs. TdW-vdL).
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2.
Rb. Maastricht 5 april 2006, ECLI:NL:RBMAA:2006:AV9197, r.o. 3.3.2 (curs. TdW-vdL). De rechtbank vervolgt haar oordeel met een uiteenzetting van argumenten waarom niet aan de verhoogde eisen was voldaan. Daarbij neemt zij in overweging: de aandacht van het winkelend publiek, de gevaarlijkheid van de situatie en de afwezigheid van een adequate afscherming (r.o. 3.3.3 en 3.3.4).
Rb. Maastricht 24 november 2010, ECLI:NL:RBMAA:2010:BO8052, r.o. 4.1.1 (curs. TdW-vdL). Overigens oordeelt de rechter dit bij de inkleuring van de factor de ‘mate van waarschijnlijkheid waarmee niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht’, maar de overweging past mijns inziens beter in het kader van de bezwaarlijkheid van de maatregelen.
Rb. Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7388, r.o. 4.7 (curs. TdW-vdL).
Rb. Den Haag 27 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ7388, r.o. 4.8: “Deelnemers behoeven er niet bedacht op te zijn dat een tokkelbaan dusdanig is geconstrueerd dat hun benen of voeten (hard en ongecontroleerd) de grond kunnen raken alvorens zij volledig zijn afgeremd. Zij hoeven er evenmin op bedacht te zijn dat zij ter voorkoming van letsel aan het einde van een tokkelbaan hun benen moeten intrekken.”
Rb. Gelderland 3 september 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:6136, r.o. 4.7 (curs. TdW-vdL).
Rb. Noord-Holland 2 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2112.
Rb. Noord-Holland 2 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:2112, r.o. 4.11.
Rb. Noord-Holland 21 maart 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2596, r.o. 2.12.
Rb. Noord-Holland 21 maart 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:2596, r.o. 2.13.
In verschillende gevallen uit de lagere rechtspraak vormt de hoedanigheid van (gespecificeerde) ondernemer een argument om een hoger zorgniveau aan te nemen. Dit is bijvoorbeeld het geval, indien de bedrijfsactiviteiten publiek toegankelijk zijn. Een voorbeeld is een uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2008. Eiseres klaagde een meubelzaak aan nadat zij haar hoofd had gestoten tegen een wandmeubel. Het wandmeubel was gesitueerd boven een trap. Als gevolg van dit ongeluk is eiseres arbeidsongeschikt geworden. De vraag was of het wandmeubel kwalificeert als een gebrekkige opstal:
“De rechtbank stelt voorop dat, zoals – onweersproken – is opgemerkt in het rapport van Achmea, het ongeval zich heeft voorgedaan op een trap in een winkel en derhalve in een voor publiek toegankelijk gebied. Voorts is niet in geding dat de trap in de winkel is aangebracht teneinde het winkelend publiek van en naar de bovengelegen winkelverdiepingen te leiden. Dit brengt mee dat in het kader van de in acht te nemen algemene veiligheidsmaatregelen ten behoeve van bezoekers aan P Interieurs B.V. als eigenaar/exploitant van de winkel hogere eisen moeten worden gesteld dan wanneer het een privé-omgeving zou betreffen.”1
Verder is deze vorm van doorwerking met name te zien in het kader van de kwalitatieve aansprakelijkheid voor bedrijfsmatig gebruikte, gebrekkige zaken (art. 6:173 en 6:174 BW in verbinding met art. 6:181 BW). Het bedrijfsmatig gebruik vormde in verschillende zaken een argument voor het aannemen van een hoog zorgniveau. Illustratief is de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 april 2006.2 In casu was eiseres tijdens een bezoek aan de winkel van gedaagde gestruikeld en gevallen. Dit heeft geleid tot blijvend functieverlies aan de arm van eiseres. Voor deze schade had zij gedaagde – primair op grond van art. 6:174 jo. 6:181 BW en subsidiair op grond van art. 6:162 BW – aansprakelijk gesteld. De rechtbank overweegt:
“Het ongeval heeft zich voorgedaan in een gebouwde onroerende zaak die dienst doet als winkel. Aan een winkel, die naar zijn aard een professioneel doel dient en derhalve bedrijfsmatig wordt gebruikt alsmede voor een ieder toegankelijk is, dienen in het kader van de in acht te nemen algemene veiligheid ten behoeve van het winkelend publiek hoge eisen te worden gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze eisen niet voldaan.”3
Ook in een uitspraak van de rechtbank Maastricht uit 2010 over een ongeval op een zomerkamp komt het onderscheid tussen bedrijfsmatig gebruik en privégebruik naar voren. Op de accommodatie bevond zich onder het raam van een van de slaapzalen een plateau. Dit plateau vormde een noodweg, maar werd door de gasten gebruikt om zwemkleding op te drogen. Toen een (minderjarige) gast zijn spullen wilde pakken, viel hij van het plateau en liep letsel op. Bij de beoordeling van de gebrekkigheid van de opstal, overweegt de rechtbank:
“’t Auwershoes heeft als bedrijfsmatig verhuurder van haar accommodatie een verplichting jegens haar huurders om te zorgen dat de accommodatie voldoet aan de veiligheidseisen, die aan een voor zodanig gebruik bedoelde accommodatie gesteld mogen worden. Die eisen zijn zwaarder dan wanneer het om een opstal gaat die in privégebruik is.”4
Een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2013 sluit hierbij aan. In casu had de eiser letsel opgelopen aan zijn enkel toen hij van een tokkelbaan naar beneden ging en met zijn voet de grond raakte. Hij stelde de bedrijfsmatige exploitant van de tokkelbaan aansprakelijk en betoogde dat de opstal gebrekkig is gelet op het geringe hoogteverschil tussen de baan en de ondergrond. Met betrekking tot deze stelling neemt de rechtbank in overweging dat:
“[h]et bedrijfsmatig exploiteren van een tokkelbaan, waaraan men in beginsel ongeacht zijn conditie, leeftijd en mate van sportieve ervaring deel kan nemen, [meebrengt] dat de exploitant een bijzondere zorgvuldigheid moet betrachten om ongevallen zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken.”5
De rechtbank Den Haag stelt de bedrijfsactiviteit van de bedrijfsmatige gebruiker voorop en geeft aan dat er een ‘bijzondere’ mate van zorgvuldigheid geldt.6
Vergelijkbaar is de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 september 2014. Eiser was werkzaam bij CSU, een schoonmaakbedrijf dat was ingehuurd door Storteboom, een kippenslachterij. Tijdens een van de schoonmaakwerkzaamheden kwam eiser met zijn onderarm in een onthuidmachine terecht. Eiser stelde Storteboom aansprakelijk voor zijn schade op grond van art. 6:173 jo. 6:181 jo. 6:162 BW. De rechtbank nam mee dat een onthuidmachine zeer gevaarlijk is en dat de beschermkap was afgebroken. Vervolgens oordeelt de rechtbank:
“De onthuidmachine wordt door Storteboom bedrijfsmatig gebruikt en dient dagelijks te worden schoongemaakt. Gelet op dit gebruik en het potentiële gevaar dat een draaiende aandrukrol en/of een draaiende snijrol met zich brengt, dient de machine naar het oordeel van de rechtbank afdoende beveiligd te zijn, in die zin dat ook de niet steeds oplettende, niet steeds voorzichtige gebruiker of schoonmaker daarmee niet in aanraking kan komen.”7
In één gevonden voorbeeld vormde de tot ondernemers gerichte regelgeving een argument voor het aannemen van onrechtmatigheid. Het ging om een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland uit 2022, waarin sprake was van een ongeval in een souvenierwinkel.8 Twee medewerkers waren bezig met het verplaatsen van dozen. De ene medewerker gooide de dozen vanaf een vide naar beneden naar de andere medewerker. Een doos belandde op een klant, die daardoor letsel opliep. De rechtbank oordeelt dat de souvenierwinkel onzorgvuldig had gehandeld, omdat er tijdens het gooien geen enkele voorzorgsmaatregel was getroffen.9 Daarbij speelde volgende rechtbank mee dat art. 10 van de Arbeidsomstandighedenwet de werkgever verplicht doeltreffende maatregelen te nemen ter voorkoming van gevaar van derden. De vraag is echter of bij gebreke van een dergelijke regeling de rechter tot een ander oordeel was gekomen. Een afweging tussen de verwachte onoplettendheid van de klant, de ernst van de gevolgen, de kans op schade en de bezwaarlijkheid van de te nemen voorzorgsmaatregelen zou in dat geval wijzen op een vergelijkbaar oordeel. Ik acht het niet ondenkbaar dat in deze afweging de hoedanigheid van ondernemer gewicht in de schaal legt. Daarmee wordt een factor die besloten ligt in de wettelijke regeling (de hoedanigheid van werkgever), expliciet meegewogen in het kader van de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm.
Tot slot zijn in paragraaf 8.5.3.4 enkele voorbeelden uit de lagere rechtspraak besproken, waarin de laedens werd verweten onvoldoende organisatiemaatregelen te nemen. Hoewel niet in algemene zin kan worden gezegd dat deze organisatiemaatregelen een hoge mate van zorg inhouden, bekruipt me bij het lezen van de uitspraken het gevoel dat de lat voor het nemen van deze maatregelen wel erg hoog ligt. Het opstellen van schoonmaakprotocollen en het instrueren van personeel is niet voldoende. Er moet komen vast te staan dat deze protocollen en instructies daadwerkelijk worden nageleefd. In de zaken genoemd in paragraaf 8.5.3.4 was dat telkens niet het geval. Dat is niet opzienbarend, anders was er niets misgegaan en was er geen schade opgetreden. In een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland uit 2018 overweegt de rechtbank weliswaar dat van de gedaagde niet kan worden gevergd “dat elk risico van een val wordt uitgesloten,”10 maar de mate van zorg die de rechtbank vervolgens eist, lijkt daar wel op neer te komen. De rechtbank eist namelijk dat de vloer “ofwel meteen [had] moeten worden schoongemaakt en gedroogd ofwel Albert Heijn had veiligheidsmaatregelen moeten treffen door bijvoorbeeld een waarschuwingsbord bij de natte plek te plaatsen.”11 Om dit voor elkaar te krijgen, had gedaagde ervoor moeten zorgen dat het personeel continu zou monitoren op natte plekken op de vloer. Daarenboven wijst de term ‘meteen’ erop dat er weinig speelruimte wordt toegekend aan de gedaagde om het risico weg te nemen. Deze twee punten impliceren een zeer hoog zorgniveau.