Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.1:4.2.1 De kostenvergoeding in het arrest Plas/Valburg
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/4.2.1
4.2.1 De kostenvergoeding in het arrest Plas/Valburg
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS303050:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De basis van de discussie omtrent de eventuele vergoeding van wat ik in het hierna volgende kortheidshalve ook zal aanduiden als "onderhandelingskosten" (waaronder ik begrijp: kosten die samenhangen met het onderhandelingsproces, zoals bijv. ontwerpkosten, offertekosten, kosten van adviseurs en dergelijke) is ontegenzeglijk de formulering van de Hoge Raad in r.o. 3.5 van het arrest Plas/Valburg. De Hoge Raad overweegt daar:
"'s Hofs overweging dat Plas nooit heeft beweerd dat de gemeente voor 9 januari 1975 niet vrijelijk uit de onderhandelingen kon terugtreden, moet worden gelezen in verband met het oordeel van de rechtbank dat de gemeente na de bespreking van die datum niet meer gerechtigd was de onderhandelingen af te breken. Het hof dat de tegen dat oordeel gerichte grief van de gemeente buiten behandeling heeft gelaten, is kennelijk van dat oordeel uitgegaan. Wanneer de gemeente na 9 januari 1975 niet meer uit de onderhandelingen mocht terugtreden, valt echter niet in te zien waarom een handelen in strijd daarmede haar niet zou kunnen verplichten tot vergoeding van reeds voor 9 januari 1975 in het kader van de voorafgaande onderhandelingen gemaakte kosten. Een verplichting daartoe zou zelfs kunnen bestaan, als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zouden zijn geraakt dat de gemeente te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wel in een stadium dat zulk afbreken haar in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door Plas gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen."
Deze rechtsoverweging riep tal van vragen op, zoals: Indien er een fase is waarin het afbreken van de onderhandelingen op zichzelf niet ongeoorloofd is, maar er wel kosten vergoed moeten worden, wanneer treedt die fase dan in? Wat is de juridische grondslag voor vergoeding van onderhandelingskosten in die fase? En: hoe verhouden deze kosten zich tot de vergoeding van het negatief contractsbelang (of heeft de Hoge Raad juist op het negatief contractsbelang gedoeld?) casu quo op welke kosten heeft de Hoge Raad het oog?
Met name in het kader van de laatste vraag meen ik dat ook r.o. 3.4 van het arrest Plas/Valburg van belang is. Daarin refereert de Hoge Raad aan de door het hof tot uitgangspunt genomen rechtsregel dat de schadevergoedingsplicht als gevolg van een gedraging in strijd met de goede trouw in een precontractuele verhouding:
"niet verder gaat dan gemaakte kosten en schade, welke de wederpartij niet geleden zou hebben, ware de precontractuele verhouding niet ontstaan".
Dit uitgangspunt van het hof — dat lijkt aan te sluiten bij de gangbare definitie van negatief contractsbelang — gaat op de spreekwoordelijke schop, omdat de Hoge Raad van mening is dat er onder omstandigheden ook ruimte is voor vergoeding van het positief contractsbelang, maar mij gaat het er in het kader van de onderhandelingskosten om dat het hof het negatief contractsbelang heeft gedefinieerd als — kort gezegd — het plaatsen van de teleurgestelde onderhandelingspartner in de situatie waarin deze zou hebben verkeerd indien de precontractuele verhouding in het geheel niet zou zijn ontstaan. Anders gezegd: De teleurgestelde onderhandelingspartner zou dan geen onderhandelingskosten hebben gehad. Ik kom hierop in het hierna volgende, bij het bespreken van de mogelijke grondslagen voor vergoeding van onderhandelingskosten, nog uitvoerig terug, maar vraag mij hier en in de navolgende paragraaf wel af of dit een wenselijke benadering is.
Het kan dus kennelijk voorkomen, aldus de Hoge Raad in het arrest Plas/Valburg, dat een onderhandelende partij kosten maakt die hij vergoed dient te krijgen wanneer zijn onderhandelingspartner de onderhandelingen afbreekt hoewel hij daartoe op zichzelf gerechtigd is. Daarmee rijzen de volgende vragen: Op de mogelijke vergoeding van welke kosten heeft de Hoge Raad daarbij het oog gehad? Wat zou een dergelijke gedachtegang kunnen rechtvaardigen? En wat is de juridische grondslag voor een dergelijke kostenvergoeding?