Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.6.5
6.6.5 De verjaring van een 403-vordering
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648837:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I*, nr. 583 onder sub g.
Beckman & Van Wijngaarden, art. 2:403 BW. aant. C4.4.
Hof Den Haag, 18 maart 2014, JOR 2015/93. Tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld, maar dat is verworpen. Zie HR 19 juni 2015, RvdW 2015/778.
In deze kwestie wordt niet ingegaan of de 403-vorderingen eveneens waren verpand. Aangenomen wordt dat de pandhouder naast de dochtervennootschap ook de moedervennootschap kon aanspreken. Bartman merkt daarover op: “Partijen hadden het de appelrechter op dit punt ook niet moeilijk gemaakt. Uit r.o. 7, laatste zin, blijkt immers dat Eneco Beheer niet het verweer had gevoerd dat een rechtsgeldige verpanding van de Onderliggende Vorderingen niet automatisch betekent dat TPB dus ook – naar believen – verhaal kon zoeken op Eneco Beheer vanwege haar 403-verklaring. De 403-vordering wordt immers wel beschouwd als een zelfstandig vorderingsrecht dat voor afzonderlijke verpanding vatbaar is. Dat de 403-vorderingen van DVO P op Eneco Beheer in casu ook aan TPB waren verpand, is echter, zoals hiervoor geconstateerd, gesteld noch gebleken. Bij gebreke daarvan was TPB dus ook niet inningsbevoegdheid tegenover Eneco Beheer (art. 3:246 lid 1 BW), zo had deze laatste kunnen betogen”, Bartman in JOR 2015/93, randnr. 9.
Hof Den Haag, 18 maart 2014, JOR 2015/93, r.o. 8.
Bartman in JOR 2015, 93, randnr. 10 en 11.
Verwezen zij naar de materiële regels van de hoofdelijkheid, op basis waarvan algemeen wordt aanvaard dat hoofdelijkheid leidt tot meerdere zelfstandige vorderingsrechten. Daarnaast is de uitspraak van het Gerechtshof ook formeel-rechtelijk gezien bijzonder te noemen, zie HR 28 mei 1999, NJ 2000/290 m.nt. Vranken, waar de Hoge Raad oordeelde dat wanneer een vordering wordt ingesteld tegen meer dan één hoofdelijk verbonden schuldenaar, niet ten aanzien van iedere schuldenaar hetzelfde behoeft te worden beslist.
Voor verschillende reeds eerder in de literatuur genoemde oplossingen verwijst Bartman naar Timmerman & De Winter 2013, p. 355 (357) en Nass & Nass 2014, p. 735.
Zie Van der Kraan 2012.
Los van mijn beschouwingen, wordt in de literatuur niet concreet ingegaan op de vraag welke verjaringsbepaling van toepassing is op een 403-vordering. In algemene zin wordt opgemerkt dat een 403-vordering kan verjaren.1 In het kader van artikel 2:403 BW wordt in de literatuur onder verwijzing naar artikel 3:307 BW en artikel 3:308 BW opgemerkt dat de gebruikelijke verjaringstermijn voor opeisbare vorderingen vijf jaar is.2 Dat Beckman en Wijngaarden geheel in het midden laten welke verjaringstermijn nu concreet van toepassing is op een 403-vordering, is opmerkelijk. In de literatuur wordt de vraag welk verjaringsregime van toepassing is op een 403-vordering verder in het midden gelaten.
Het Gerechtshof Den Haag heeft zich een enkele keer uit mogen laten over de verjaring van een 403-vordering.3 Helaas is deze gelegenheid niet aangegrepen om duidelijkheid te scheppen. Ook in een later stadium heeft de Hoge Raad niet ingegrepen en het cassatieberoep in deze zaak afgedaan op basis van artikel 81 Ro. In de betreffende zaak had de schuldeiser de vrijgestelde rechtspersoon aangesproken op 30 juni 2005. Bijna een jaar later zijn de vorderingen klaarblijkelijk nog niet voldaan. Op 20 maart 2006 spreekt de schuldeiser (de pandhouder van vorderingen op de vrijgestelde rechtspersoon)4 de moedervennootschap aan op basis van de 403-verklaring. De moedervennootschap weigert te betalen en er volgt een rechtszaak. De moedervennootschap stelt zich op het standpunt dat de 403-vorderingen zijn verjaard. Dit beroep op verjaring wordt in eerste aanleg gehonoreerd. De rechtbank constateert dat de oorspronkelijke vorderingen opeisbaar zijn geworden in de loop van 1999, zodat de verjaringstermijnen van vijf jaar afliepen in de loop van 2004 (art. 3:307 lid 1 BW). De 403-verklaring was reeds afgegeven voordat de oorspronkelijke vorderingen opeisbaar werden. De verjaringstermijn van de 403-vorderingen liep eveneens af in de loop van 2004.
Voor zover het de verjaring van een 403-vordering betreft, wordt door het hof eveneens aangehaakt bij een termijn van vijf jaar. Het hof gaat voorbij aan de vraag wanneer een 403-vordering ontstaat en laat na om de verjaring van de 403-vorderin-gen op de eigen merites te beoordelen. Het hof lijkt er daarmee vanuit te gaan dat een 403-vordering afhankelijk is van de oorspronkelijke vordering. Het hof concludeert namelijk dat wanneer de oorspronkelijke vordering verjaart, de 403-vordering ook verjaart. Het hof overweegt in rechtsoverweging 8 van haar uitspraak het volgende:
“Het hof stelt daarbij vast dat partijen er beide vanuit gaan dat, wanneer de vorderingen van DVO P op Etis zijn verjaard, ook de vorderingen op Eneco zijn verjaard. Het beroep van Eneco op verjaring zal door het hof dan ook in die zin worden begrepen.”5
De vraag is of hieruit kan worden afgeleid dat het hof van mening is dat de verjaring van de 403-vordering afhankelijk is van de verjaring van de oorspronkelijke vordering. Ik meen van niet. Althans ik hoop het niet. De vraag wanneer een 403-vordering verjaart, wordt niet expliciet door het hof beantwoord. Deze vraag vormt geen onderwerp van het geschil en wordt niet ter beoordeling aan het hof voorgelegd. Partijen waren op dit vlak kennelijk niet verdeeld, en het Hof heeft het standpunt van partijen dat een 403-vordering op hetzelfde moment verjaart als de oorspronkelijke vorderingen overgenomen.
Het hof kan zich gemakshalve en/of om dogmatische redenen bij deze opvatting van partijen hebben neergelegd. Het standpunt is dan evenwel niet in lijn met de regels van hoofdelijkheid. Uit die regels vloeit immers voort dat de oorspronkelijke vordering en de 403-vordering onafhankelijk van elkaar zijn. Dat betekent dat voor zowel de hoofdvordering als voor de 403-vordering moet worden nagegaan wanneer deze vorderingen zijn ontstaan. Bartman verwoordt de worsteling met de regels van de hoofdelijkheid in zijn annotatie:6
“10. Ook in een ander opzicht maakte het hof maar al te graag gebruik van de – beweerdelijke – consensus tussen partijen, waar het betreft de juridisch-dogmatische duiding van de 403-vordering. In r.o. 8 overweegt het hof: “Het hof stelt daarbij vast dat partijen er beide vanuit gaan dat, wanneer de vorderingen van DVO P op Etis zijn verjaard, ook de vorderingen op Eneco zijn verjaard. Het beroep van Eneco op verjaring zal door het hof dan ook in die zin worden begrepen.”
11. Met andere woorden, het hof lijkt er met partijen vanuit te gaan dat de 403-vordering tot op zekere hoogte een afhankelijk verjaringsregime kent. Dat wil zeggen dat wanneer de Onderliggende Vordering op de dochter is verjaard, daarmee ook steeds de 403-vordering op de moeder is verjaard, ongeacht een eventuele stuitingshandeling ten aanzien van deze laatste.”
Het lijkt erop dat het hof de jurisprudentie van de Hoge Raad en de wettelijke regels van de hoofdelijkheid zonder nadere onderbouwing naast zich neer heeft gelegd.7 Bartman neemt aan dat het hof niet slechts het door partijen ingenomen standpunt volgt maar dat de uitspraak laat zien dat het hof uitgaat van afhankelijkheid van de 403-vordering. Bartman merkt het volgende op:
“12. Het standpunt van het hof op dit punt is in lijn met de opvatting die de 403-vordering beschouwt als een zelfstandig vorderingsrecht met een – in sommige opzichten – afhankelijk karakter (vgl. Bartman/Dorresteijn, Van het concern, 8e dr., 2013, p. 240).”
Bartman concludeert dat het hof de 403-vordering een (deels) afhankelijk karakter toedicht. Dit deels afhankelijke karakter zou een van de oplossingen zijn8 tegen de ongewenste consequentie van de hoofdelijkheid, namelijk dat de oorspronkelijke vordering en de 403-vordering zelfstandig zijn en dus een tijdstip van verjaring kunnen hebben:
“Het betreft één van de vele suggesties die in de literatuur inmiddels zijn geopperd om, met onderkenning van het Akzo/ING-arrest («JOR» 2002/136), “de boel” – dat wil zeggen 403-vordering en Onderliggende Vordering – toch zo veel mogelijk bij elkaar te houden. Dit gezien de bezwaren in de praktijk tegen een ongewenst uiteenlopen bij tenietgaan, overdracht, bezwaring en dus ook bij verjaring.“
Het lijkt erop dat eiseres heeft gepoogd om een beroep te doen op de zogenaamde wilsrechttheorie.9 Dat blijkt uit rechtsoverweging 9 van het arrest van het hof waar het hof ingaat op de stelling in de Memorie van Grieven van de eisende schuldeiser dat “de verjaring niet eerder is aangevangen dan na het op 20 maart 2006 opeisen van de vorderingen bij Eneco op grond van de aansprakelijkheidsverklaring”. Het hof heeft dit op een onbegrijpelijke wijze verworpen. Zie wederom Bartman:
“Het Hof verwerpt dit betoog met de volgende woorden: “Voor zover hierin een grief tegen het oordeel van de rechtbank moet worden gelezen, stuit die af op hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot het karakter van de aansprakelijkheidsverklaring.
(...)
Met “hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot het karakter van de aansprakelijkheidsverklaring”, beoogt het hof kennelijk te verwijzen naar r.o. 8. Over het (rechts)karakter van de 403-verklaring wordt daar echter niet meer vermeld dan dat, conform HR Akzo/ING, zij een generieke, eenzijdige rechtshandeling betreft, waaruit hoofdelijkheid ontstaat en die geen afhankelijk recht in het leven roept als bedoeld in art. 3:7 jo. art. 3:82 BW. Trekt men echter die lijn door dan zou de 403-vordering juist wel een zelfstandig – dat wil zeggen, los van de Onderliggende Vordering – verjaringsregime moeten kennen. Aldus ook Beckman in Asser/Maeijer & Kroeze 2-1* 2015/583, alsmede in P.J. Dortmond (red.), Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, 13e dr., 2013, nr. 324. Maar hoe verhoudt zich dat dan met de hiervoor gesignaleerde opvatting van het hof (en partijen) over een afhankelijk verjaringsregime van de 403-vordering? In zoverre is het arrest van het hof niet optimaal gemotiveerd.”
(...)
“Van het onderhavige arrest is cassatieberoep ingesteld. Uit het voorafgaande moge blijken dat er over het rechtskarakter van de 403-vordering nog wel wat juridisch dogmatische noten door de Hoge Raad zijn te kraken. Uit het Econcern-arrest van vorig jaar (NJ 2014, 309, m.nt. Van Schilfgaarde, «JOR» 2014/199, m.nt. Van Dooren), zou men kunnen afleiden dat de Hoge Raad wat terughoudend is om de 403-verklaring te beoordelen vanuit haar specifieke, ondernemingsrechtelijke functie. Echter, in zijn SNS-beschikking van 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:661) overweegt de Hoge Raad met zoveel woorden in r.o. 4.34.1 dat het hier gaat om een verklaring “waarvan de betekenis moet worden begrepen tegen de achtergrond dat zij dient als een van de voorwaarden voor het gebruik van een geconsolideerde jaarrekening.” Los van het feit dat deze overweging feitelijk onjuist is (403-verklaring en consolidatie zijn beide voorwaarden voor vrijstelling) biedt zij enige hoop dat de Hoge Raad misschien toch bereid is tot een wat meer functionele duiding van de 403-verklaring. En nu maar hopen dat ook de formulering van het cassatiemiddel in onderhavige zaak daar aanleiding toe geeft.”
Een andere mogelijkheid is dat het Hof heeft bedoeld aan te geven dat partijen ervan uit zijn gegaan dat beide vorderingen zijn verjaard. Niet omdat zij van elkaar afhankelijk zijn, maar omdat partijen ervan uit zijn gegaan dat de hoofdvordering en de 403-vordering tegelijkertijd zijn ontstaan en dat daarom de verjaringstermijn tegelijk is omgekomen.
Een andere mogelijkheid is dat het Hof heeft onderkend dat de schuldeiser het wilsrecht niet tijdig heeft ingeroepen, en dat wanneer de hoofdvordering is verjaard, ook de mogelijkheid om de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft gedeponeerd aansprakelijk te stellen – en een 403-vordering tot stand te doen komen – is verjaard. Het Hof geeft in rechtsoverweging 8 een onderbouwing, maar daaruit valt geen duidelijke conclusie te trekken:
“Het gaat bij deze verklaring om een niet tot een bepaalde partij gerichte eenzijdige rechtshandeling op grond waarvan rechtstreekse aansprakelijkheid (dus geen vorderingsrecht, JK) van de moedervennootschap ontstaat (HR 28 juni 2002, NJ 2002, 447). Die hoofdelijkheid brengt met zich mee dat de schuldeiser naar keuze zowel de dochtervennootschap (Etis) als de moedervennootschap (Eneco) kan aanspreken, met dien verstande dat nakoming door een van hen ook de andere medeschuldenaar bevrijdt. Nu de aansprakelijkheidsverklaring van Eneco al vóór de opeisbaarheid van de in het geding aan de orde zijnde facturen was afgegeven, kon DVO P of TPB er direct voor kiezen hetzij Etis, hetzij Eneco aan te spreken. TPB heeft immers niet weersproken dat zij van deze aansprakelijkheidsverklaring op de hoogte kon zijn.”
Wanneer wel sprake is van een 403-vordering, dan past het hof kennelijk een verjaringstermijn van vijf jaar toe. Op grond van welke wettelijke bepaling het hof oordeelt dat sprake is van een verjaringstermijn van vijf jaar, blijkt niet uit het arrest.