Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3.2.3
4.3.2.3 De gevolgen van de niet-inachtneming van de geldende opzegtermijn
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855348:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann, WPNR 1994/6134; Pitlo/Croes e.a. 1995, p. 237en in algemene zin o.a. Barendrecht & Van Peursem 1997/225-226; Brink-van der Meer & Van der Vegt, Contracteren 2007/4.3.
Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26 en in algemene zin Valk, NTBR 2012/25. Ook in de feitenrechtspraak is deze lezing wel te vinden (zie in algemene zin bijv. rb. Utrecht 27 april 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ1958; rb. Rotterdam 19 maart 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:2116; rb. Overijssel 25 januari 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:277; rb. Oost-Brabant 15 november 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:6185; hof ’s-Hertogenbosch 4 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5072).
Van Slooten 2018, p. 48; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/165 en in algemene zin Asser/Houben 7-X 2019/130.
De eisen van de redelijkheid en billijkheid brengen m.i. mee dat de opdrachtnemer in dit geval niet kan kiezen voor nakoming (art. 3:296 BW) (HR 5 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9311 (Multi Vastgoed/Nethou)).
Ook in de DCFR en PELC is ervoor gekozen de inachtneming van de geldende opzegtermijn geen vereiste te laten zijn van een daadwerkelijke beëindiging van de overeenkomst. Bij een schending van deze termijn ontstaat een schadevergoedingsverplichting, zodat partijen de zekerheid hebben dat met de opzegging hun contractuele relatie daadwerkelijk is geëindigd (art. IV.E.–2:302 DCFR resp. art. 6:109 PELC).
Om deze reden valt er een en ander voor te zeggen een opzegtermijn omtrent de opzegging van de duurovereenkomst van opdracht wettelijk te verankeren (zie par. 4.4.2.1).
Wel blijft onzekerheid bestaan over de hoogte van de schadevergoeding, maar die onzekerheid staat niet in de weg aan de voortzetting van de bedrijfsvoering van beide partijen. Daar komt bij dat onzekerheid haast inherent is aan nagenoeg ieder geval waarin schadevergoeding wordt gevorderd (Van de Paverd 1999, p. 109).
Zie in algemene zin ook Tjittes 1997, p. 381; Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 363.
Zie in soortgelijke zin Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/165.
Zie ook Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26.
HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 (Koot/Tideman).
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 364.
Deze situatie zal zich niet snel voordoen, zeker niet t.a.v. de opdrachtnemer aan de onderkant. Er kan bijv. worden gedacht aan de situatie waarin het niet-financiële belang van de opdrachtnemer zich gedurende de opzegtermijn openbaart, zoals de presentator die nog een uitzending zou presenteren als de opzegtermijn in acht zou worden genomen.
In deze paragraaf ga ik ervan uit dat de opdrachtgever een opzegtermijn in acht moet nemen en dit niet (volledig) doet. De vraag die ik behandel, is welke gevolgen de niet-inachtneming van de opzegtermijn heeft voor de rechtsgeldigheid van de opzegging. Of de grondslag van de opzegtermijn de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (zie paragraaf 4.3.2.1) of het contract (zie paragraaf 4.3.2.2) is, maakt daarbij niet uit. In beide gevallen is namelijk sprake van een verbintenis, aangezien de inhoud van de ‘overeenkomst’ niet alleen bestaat uit wat partijen zijn overeengekomen, maar ook wat volgt uit de wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). De vraag die in deze paragraaf centraal staat, moet overigens worden onderscheiden van de situatie waarin de opdrachtgever opzegt zonder opzegbevoegdheid. Een cruciaal verschil is immers dat de opzegbevoegdheid en de opzegtermijn een ander belang beschermen. Zo ziet de opzegbevoegdheid niet zozeer op inkomensbescherming, maar op het behoud van de opdracht, terwijl de opzegtermijn in wezen niets anders is dan een financiële compensatie voor de opzegging: de opdrachtnemer krijgt gedurende deze termijn de tijd zich aan te passen aan de nieuwe situatie.
Als de opdrachtgever de overeenkomst opzegt zonder de voor hem geldende opzegtermijn in acht te nemen, zijn er in feite twee opties: (i) de opzegging is niet doeltreffend (en wordt eventueel geconverteerd in een rechtsgeldige opzegging, dus met de inachtneming van de opzegtermijn (artikel 3:42 BW)) óf (ii) de opzegging is doeltreffend met schadeplichtigheid als gevolg van de schending van de geldende opzegtermijn (artikel 6:74 BW). Bij de eerste optie heeft de opzegging geen effect gesorteerd en is de overeenkomst dus blijven voortbestaan.1 Bij de tweede optie heeft de opzegging effect gesorteerd en is als het ware sprake van een directe beëindiging, gekoppeld aan een schadevergoeding.2 Er zijn ook auteurs die stellen dat in zijn algemeenheid niet kan worden aangegeven of de opzegging waarbij de geldende opzegtermijn niet in acht is genomen, wel of niet leidt tot een rechtsgeldige opzegging.3 Op basis van verschillende argumenten kom ik tot de conclusie dat ten aanzien van de opgezegde opdrachtnemer aan de onderkant de tweede optie het meest voor de hand ligt en dit eveneens de meest wenselijke optie is.4 Ik noem in dit verband vier redenen.
Ten eerste zorgt de rechtsgeldige opzegging met schadeplichtigheid ervoor dat partijen duidelijkheid hebben over het al dan niet (voort)bestaan van de overeenkomst.5 Het is op voorhand namelijk niet altijd helder of de opdrachtgever op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) een opzegtermijn in acht moet nemen en – in het bijzonder – wat de lengte daarvan is (zie paragraaf 4.3.2.1 en 4.4.2).6 Hierdoor kan zich de situatie voordoen dat de opdrachtgever geen opzegtermijn in acht heeft genomen, dan wel een opzegtermijn van bijvoorbeeld één maand, maar dat de rechter enige tijd later oordeelt dat deze termijn op grond van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) drie maanden had moeten zijn. Als in een dergelijke situatie de overeenkomst al die tijd zou blijven voortbestaan, wat gevoelsmatig zou neerkomen op het herleven van het contract, gaat dat ten koste van de rechtszekerheid en kan dit zelfs leiden tot praktisch onwerkbare situaties.7 Het is immers goed denkbaar dat de opdrachtgever en opdrachtnemer al nieuwe overeenkomsten hebben gesloten. Voor de bedrijfsvoering van beide partijen is het daarom van belang dat zij duidelijkheid hebben over de vraag of de overeenkomst wel of niet tot haar einde is gekomen.8
Ten tweede is in de parlementaire geschiedenis steun voor mijn opvatting te vinden. De bepaling waarin de niet in acht genomen opzegtermijn leidt tot een onregelmatige opzegging (artikel 7.7.1.10 lid 3 van het voorontwerp), is in de huidige regeling niet overgenomen, omdat de vraag in hoeverre wanprestatie resulteert in schadevergoeding, aan de bepalingen uit Boek 6 BW kan worden overgelaten (artikel 6:74 BW).9 De onregelmatige opzegging zou dus wel het gewenste effect hebben.10 Uit de formulering van artikel 7:408 lid 3 BW lijkt op dezelfde wijze te volgen dat een onregelmatige opzegging effect sorteert met een schadevergoedingsverplichting als gevolg (zie paragraaf 4.2.3.2).11
Ten derde is het verdedigbaar dat de Hoge Raad in het Koot/Tideman-arrest ruimte heeft gelaten voor de door mij gekozen optie.12 In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat de curator de overeenkomst had opgezegd zonder de inachtneming van de opzegtermijn en daarom verplicht was de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.13 De onregelmatige opzegging sorteerde hier dus wel effect. Ondanks dat de overweging van de Hoge Raad in een compleet andere context is gedaan, staat de Hoge Raad in ieder geval niet (geheel) onwelwillend tegenover mijn opvatting. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de aandacht bij de niet-inachtneming van de opzegtermijn niet moet worden gevestigd op de rechtsgeldigheid van de opzegging zelf, maar op de schadevergoedingsverplichting die uit deze schending volgt.
Ten vierde gaat de rechtsgeldige opzegging met schadeplichtigheid niet ten koste van de billijkheid. De opzegtermijn biedt de opdrachtnemer in principe alleen de tijd zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Het lijkt daardoor niet in de rede te liggen dat het niet in acht nemen van de opzegtermijn, de rechtsgeldigheid van de opzegging zelf aantast, zolang de bescherming van dit belang (achteraf) alsnog kan worden genoten. Deze bescherming kan worden geboden door de nadelige gevolgen van de te korte opzegtermijn te compenseren via een schadevergoeding.14 Dat geldt in het bijzonder voor de opdrachtnemer die alleen een financieel belang heeft, maar gaat in mijn ogen in beginsel ook op voor de opdrachtnemer die meer dan enkel een financieel belang heeft. Een benadering waarin de opzegging wel effect sorteert bij de opdrachtnemer die alleen een financieel belang heeft en geen effect sorteert bij de opdrachtnemer die ook een ander belang heeft, kan immers weer tot rechtsonzekerheid leiden. Bovendien kan de opdrachtnemer die ook een niet-financieel belang heeft al worden beschermd tegen de opzegging zelf door aan de opzegging van de opdrachtgever de eis van een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging te stellen (zie paragraaf 4.3.1.1). Voor speciale gevallen waarin een directe beëindiging, gekoppeld aan een schadevergoeding, toch tot onrechtvaardigheid leidt, kan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW) dit corrigeren en meebrengen dat de opzegging geen effect sorteert.15
Afrondend lijkt het er dus op dat als de opdrachtgever de voor hem geldende opzegtermijn niet (correct) in acht neemt, de opdrachtnemer aan de onderkant moet berusten in een schadevergoeding (artikel 6:74 BW). Die opzegging zou daarmee wel zijn effect sorteren. Deze opvatting is in lijn met wat uit paragraaf 4.3.1 blijkt: bescherming op het thema opzegging wordt allereerst in de financiële hoek gezocht en pas als die compensatie de opdrachtnemer onvoldoende beschermt, wordt bekeken of de ruime opzegbevoegdheid van de opdrachtgever moet worden ingeperkt.