Einde inhoudsopgave
Bedrijfswaarde (FM nr. 83) 1997/4.1
4.1 Bedrijfswaarde en bewijslastverdeling
G.Th.K. Meussen, datum 07-10-1997
- Datum
07-10-1997
- Auteur
G.Th.K. Meussen
- JCDI
JCDI:ADS345536:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Hof 's-Hertogenbosch 24 mei 1962, nr. 658/1961, BNB 1963/55 overweegt: 'Niet is gesteld noch gebleken dat de bedrijfswaarde van de opstallen beneden de boekwaarde is gedaald.', of Hof Arnhem 30 maart 1965, nr. 170/63, BNB 1966/156 met noot van P. den Boer 'belanghebbende tegenover de motivering van de inspecteur van zijn hogere individuele waardering der gecontroleerde vorderingen slechts in algemene bewoordingen haar lagere waardering als de juiste verdedigt, doch in gebreken is gebleven daarvoor feitelijke gegevens betreffende elk dier vorderingen aan te voeren ter staving van die juistheid.' In dezelfde zin: Hof Arnhem 10 november 1971, nr. 201/1971, BNB 1972/ 209; HR 10 januari 1973, nr. 16 976, BNB 1973/58 met noot van H.J. Hofstra; Hof Leeuwarden 3 februari 1984, nr. 1964/82, BNB 1985/223; HR 3 februari 1988, nr. 24 602, BNB 1988/94 (cardioloogarrest); HR 5 april 1989, nr. 25 186, BNB 1989/150 (fotograafarrest); Hof 's-Gravenhage 8 januari 1992, nr. 90/4834, V-N 1992 blz. 1604-1606; Hof Leeuwarden 4 december 1992, nr. 533/91 M II, FED 1993/ 327; Hof Amsterdam 16 april 1993, nr. 90/6605 MK III, V-N 1993 blz. 2552-2555; Hof Leeuwarden 2 september 1994, nr. 680/93 M I, FED 1994/ 658.
Te kennen uit HR 3 februari 1988, nr. 24 602, BNB 1988/94.
HR 3 februari 1988, nr. 24 602, BNB 1988/94.
Hof Leeuwarden, MK 1,12 februari 1993, nr. 91/0797, V-N 1993, blz. 1794-1796.
Uit HR 27 januari 1971, nr. 16 456, BNB 1971/55 kan worden afgeleid dat het woord 'blijken' gebezigd wordt wanneer zekere feiten volledig bewezen moeten worden, dat wil zeggen overtuigend moeten worden aangetoond. Van 'aannemelijk maken' of 'aannemelijk zijn' wordt gesproken wanneer met een zwakkere vorm van bewijs kan worden volstaan.
Los daarvan kan men zich afvragen of een makelaar bberhaupt in staat is de bedrijfswaarde van een onroerende zaak, gerelateerd aan de winstgevendheid van de onderneming, vast te stellen. Curieus is wel dat in de (nieuwe) Wet waardering onroerende zaken (WOZ) de bedrijfswaarde mede als waarderingsmaatstaf is opgenomen.
Schier oneindig is de jurisprudentie1 die betrekking heeft op de bedrijfswaarde in relatie tot het probleem van de bewijslast en de bewijslastverdeling. In het vervolg van deze paragraaf zal aan de hand van een tweetal voorbeelden uit de jurisprudentie blijken dat belanghebbenden gemakkelijk falen om aannemelijk te maken dat de bedrijfswaarde van een bedrijfsmiddel beneden de aanschaffingskosten minus afschrijvingen is gedaald.
Casus
Belanghebbende, een cardioloog koopt op 19 februari 1979 een praktijkpand voor een totale kostprijs inclusief aankoopkosten van f 248 449. In de jaren 1979, 1980 en 1981 vinden verbouwingen plaats tot bedragen van respectievelijk f 73 831, f 47 215 en f 130 483. Op het pand wordt 2% per jaar afgeschreven, op de verbouwingen 10%. De boekwaarde van het pand bedraagt per 31 december 1981 f 551 120.
In 1982 heeft belanghebbende het pand laten taxeren. De makelaar heeft het pand getaxeerd op f 325 000, zijnde de gepretendeerde bedrijfswaarde per 12 november 1982. Op basis van het taxatierapport van de makelaar heeft belanghebbende het pand per ultimo 1981 afgewaardeerd tot op f 325 000 en f 226 120 ten laste van de winst gebracht. De bedrijfswaarde van het pand per november 1982 is door 2 taxateurs van de Belastingdienst Registratie en Successie geschat op f 550 000.
Hof Amsterdam2 oordeelt — dat indien de bedrijfswaarde aantoonbaar lager is dan de boekwaarde — de waardering op deze lagere bedrijfswaarde in overeenstemming is met goed koopmansgebruik. Vervolgens overweegt het Hof: 'Indien belanghebbende zijn praktijkpand op de bedrijfswaarde wenst te waarderen, ligt het op zijn weg aan te tonen dat die waarde lager is dan de kostprijs verminderd met de afschrijvingen.'
Belanghebbende slaagt niet in het leveren van dit bewijs om de volgende redenen:
De door hem ingeschakelde makelaar heeft geen inzicht gehad in omzet en winstgevendheid van belanghebbendes praktijk. Het door de makelaar uitgebrachte taxatierapport is daarmee als bewijsmiddel te verwerpen.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ontwikkelingen van zijn praktijk in 1981 zozeer zijn achtergebleven bij de verwachtingen die hij te dien aanzien ten tijde van de investering had, dat op deze grond aan het pand per ultimo 1981 een lagere bedrijfswaarde moet worden toegekend.
Er zijn geen andere, bijzondere omstandigheden aangaande de onderneming bekend geworden die een afwaardering van het pand op lagere bedrijfswaarde rechtvaardigen.
De Hoge Raad3 conformeert zich aan dit feitelijke oordeel van het Hof.
Een tweede voorbeeld van recenter datum bevestigt duidelijk de lijn in de jurisprudentie dat een afwaarderingsverlies (voortvloeiend uit de lagere bedrijfswaarde van een activum) door een belanghebbende moeilijk aannemelijk kan worden gemaakt
Casus
Belanghebbende exploiteert een onderneming in de vorm van een café-restaurant, waarin zijn echtgenote mede werkzaam is. Tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoren de ondergrond en gebouwen waarin de onderneming wordt gedreven; de boekwaarde daarvan bedraagt per 31 december 1989 f 623 278. Voormelde waarde is met name ontstaan door nieuwbouw- en verbouwingsinvesteringen daterend uit de jaren 1981 tot en met 1984. De winsten van belanghebbende vertonen een stijgende lijn: van f 53 000 in 1983 tot f 338 000 in 1989. Belanghebbende heeft gepoogd zijn onderneming te verkopen, waarbij hij een vraagprijs inclusief goodwill hanteerde van f 1 700 000. Maar voor die vraagprijs heeft hij geen koper weten te vinden. Bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 1989 heeft belanghebbende een afwaardering wegens lagere bedrijfswaarde op de onroerende zaken toegepast van f 196 678.
Allereerst oordeelt het Hof Leeuwarden4 dat belanghebbende moet bewijzen dat sprake is van een lagere bedrijfswaarde. Omdat dit onvoldoende is gelukt, stelt het Hof vervolgens dat belanghebbende er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de bedrijfswaarde van de gebouwen inclusief ondergrond beneden de kostprijs minus afschrijvingen is gedaald. Trouwens, bij de oordeelsvorming van het Hof spelen de stijgende winsten van de onderneming van belanghebbende een beduidende rol.
Steeds weer komt in de jurisprudentie een tweetal aspecten aangaande de bewijsvoering pregnant naar voren:
De lagere bedrijfswaarde dient door belanghebbende aannemelijk te worden gemaakt
Omdat een lagere bedrijfswaarde van een activum tot een lagere winst uit onderneming leidt, ligt deze wijze van bewijslastverdeling voor de hand. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat belanghebbende de lagere bedrijfswaarde aannemelijk dient te maken5.
Zonder meer plaatst deze procedureregel de inspecteur in een enigszins comfortabele bewijspositie. Over het algemeen kan hij afwachten totdat belanghebbende met bewijsmiddelen komt (waarbij deze overigens vrij is in het gebruik van bewijsmiddelen van welke aard dan ook). Vervolgens dient de inspecteur deze bewijsmiddelen op hun fiscale merites te beoordelen ter beantwoording van de vraag of de bedrijfswaarde van een activum lager is dan de kostprijs (minus afschrijvingen).
Belanghebbende slaagt slechts in incidentele gevallen in het bewijs dat de bedrijfswaarde van een activum is gedaald beneden de kostprijs (minus afschrijvingen)
Het leveren van bewijs blijkt in de praktijk relatief moeilijk (zo niet bijna onmogelijk te zijn). Zo kan er bijvoorbeeld bij de waardering van een onroerende zaak op lagere bedrijfswaarde niet simpelweg met een taxatierapport betreffende de onderhandse vrije verkoopwaarde worden volstaan.6