De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.4.2.3:8.4.2.3 Bezwarende besluiten in strijd met specifiekere normen
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.4.2.3
8.4.2.3 Bezwarende besluiten in strijd met specifiekere normen
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284650:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ABRvS 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1947, TBR 2019/97, m.nt. H.J. de Vries (Windpark Oude Maas) en ABRvS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3836, JOM 2020/1002 (Moerdijk).
De casus is ontleend aan Rb. Den Haag 7 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2665, M&R 2018/86, m.nt. M.M. Kaajan (Vliegveld Zeeland c.s./LNV).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
706. Bezwarende besluiten kunnen ook strijden met specifieke geschreven normen. Mijn model werkt voor deze casustypen weer hetzelfde: het besluit is ongeldig en het nemen ervan onrechtmatig vanwege strijd met een of meer specifiekere bestuursrechtelijke normen. Van sommige normen zal vastgesteld kunnen worden dat zij wel of niet beschermen tegen de geleden schade, van andere zal dan niet mogelijk zijn, zodat een volle art. 6:98 BW-toets is vereist. In de literatuur en rechtspraak zijn kritische vragen over de redelijke toerekening en de relativiteit voor dit type geval nog niet expliciet naar voren gekomen, waardoor toetsing daaraan niet goed mogelijk is. Het casustype lost zich volgens mij wel in lijn met de hiervoor besproken casustypen op.
707. Voor processuele geschreven normen geldt volgens mij hetzelfde als voor processuele beginselen (zie hiervoor §8.4.2.1.1). Zij strekken naar hun aard enkel ertoe te bewerkstellingen dat het besluit strookt met het materiële recht. Zij bieden dus geen bescherming tegen schade. Een terinzageleggingsverplichting wil bijvoorbeeld bewerkstelligen dat belanghebbenden hun visie op een (voorgenomen) besluit kunnen geven en alle betrokken belangen in beeld komen. Daarmee wordt zoveel mogelijk gegarandeerd dat het besluit materieelrechtelijk klopt. Dat betekent dat een besluit dat vanwege strijd met een processuele norm nooit genomen had mogen worden ook steeds strijdt met een materiële norm. Die materiële norm bepaalt of en in hoeverre de schade op grond van de driestapstoets vergoed moet worden.
708. Bij schending van materiële normen geldt steeds de driestapstoets. Ik volsta met een kort voorbeeld. De overheid beperkt voor vliegtuigmaatschappijen de toegang tot het luchtruim boven bepaalde Natura 2000-natuurgebieden op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Die maatregel beoogt flora en fauna te beschermen. Art. 2.5 Wnb staat dat toe indien dat nodig is gelet op de voor het gebied geldende instandhoudingsdoeleinden. Een vliegtuigmaatschappij moet daardoor omvliegen en derft winst. Het nemen van het besluit is volgens haar onrechtmatig, omdat de instandhoudingsdoeleinden volgens haar niet nopen tot de toegangsbeperking. De relativiteitsvraag spitst zich hier dus toe op doel en strekking van art. 2.5 Wnb en de instandhoudingsdoeleinden. De Wnb beoogt de natuur te beschermen en heeft geen vermogensrechtelijke bescherming op het oog.1 Daarom komt de schade niet wegens schending van deze bepalingen voor vergoeding in aanmerking.2
709. Overigens is niet ondenkbaar dat het bestuur in het kader van de evenredigheid ex art. 3:4 lid 1 en 2 Awb wel de financiële belangen van de vliegtuigmaatschappij bij de besluitvorming moet betrekken en in dat licht niet – of niet zonder financiële compensatie – tot de toegangsbeperking had mogen komen. Het evenredigheidsbeginsel strekt dan wel tot bescherming van die financiële belangen: zie hiervoor §8.4.2.1.2 sub (i).