Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.4.4.3.4
14.4.4.3.4 Verzuimboetes
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940289:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 juni 2005, V-N 2005/30.6, BNB 2005/293.
Voor enkele voorbeelden met betrekking tot de boetes van (thans) art. 67a AWR en art. 67c AWR, zie: Hof ’s-Gravenhage 8 januari 1992, V-N 1992, p. 1285, Hof ’s-Hertogenbosch 5 juni 1992, FED 1992/655, Hof ’s-Gravenhage 6 december 1994, FED 1995/194, Hof Amsterdam 24 januari 2001, V-N 2001/17.8, Hof ’s-Gravenhage 23 oktober 2001, V-N 2002/38.5.
Zie paragraaf 21 lid 3 en lid 6 BBBB. Zie daarover nader: Krukkert 2018, par. 6.4.3.2, die ook in gaat op de vraag of het beleidsmatige onderscheid tussen Vpb en andere belastingen als zodanig gerechtvaardigd is. De rechter weegt soms mee dat dit onderscheid niet strookt met de economische realiteit, zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 2 oktober 2019, V-N 2020/9.25.10, r.o. 2.7.
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 november 2017, V-N 2018/10.19.3, Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2012, NTFR 2012/1831 en Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2012, V-N 2012/46.27.7, Rb Zeeland-West-Brabant 17 juli 2013, V-N 2013/49.18.18. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9 (r.o. 4.11), alsmede de door de boeteling in die zaak aangehaalde jurisprudentie. Zie voorts het aan de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 18 april 2017, V-N 2017/27.6, gehechte interne memo met een jurisprudentieoverzicht.
Maar dus wel degelijk een rol moet spelen bij de bepaling van de strafmaat. Zie voor een voorbeeld Rb Noord-Holland 23 maart 2022, V-N 2022/23.26.8, r.o. 15 (bis).
Zie paragraaf 14.4.1 (slot) voor de dubbelrol die de ernst van de gedraging in dit verband heeft.
Zie paragraaf 9.3.2.2.2 en paragraaf 9.4.1.
Brief Staatssecretaris van Financiën 4 juli 2014, nr. DGB/2014/3847 U, V-N 2014/36.7 (antwoord op vraag 4), Kamerstukken II 2008/09, 32 128, nr. 3, p. 33-34. Zie voorts Krukkert 2018, p. 249-250.
Een verzuimboete kan dus hoger zijn dan het achterliggende bedrag aan belasting, zie bijvoorbeeld HR 11 februari 2005, BNB 2005/282 en Hof Amsterdam 28 november 2019, V-N 2020/11.20.
Ik ben het dan ook eens met de in de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 4 juli 2014, nr. DGB/2014/3847 U, V-N 2014/36.7, gegeven toelichting: ‘Proportionaliteit kan dan ook niet worden beoordeeld in het kader van de hoogte van de ‘uiteindelijk verschuldigde belasting’, maar dient te worden bezien in het licht van de verstoring van de processen van de Belastingdienst. Deze verstoring is onafhankelijk van het bedrag van de te betalen belasting.’. Toch houdt de rechter soms rekening met de verhouding tussen het boetebedrag en het bedrag aan heffing, zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 30 mei 2018, V-N 2019/9.26.20, r.o. 2.9 en Rb Zeeland-West-Brabant 2 oktober 2019, V-N 2020/9.25.10, r.o. 2.7.
Zie paragraaf 23 en 24 BBBB (en paragraaf 24a (oud) BBBB) respectievelijk par. 63b.2 Leidraad Invordering 2008. Zie hierover nader paragraaf 9.3.3.3.1 onder ‘Grondslagkoppeling bij verzuimboetes ter zake van naheffingsaanslagen’.
In de praktijk gebeurt dat ook, zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 28 mei 2019, V-N 2019/38.28.16, r.o. 4.14. Uit die strafmaatoverweging komt duidelijk de worsteling naar voren die wordt veroorzaakt door de spagaat waarin de rechter zich hierbij bevindt. Vgl. in deze zin ook – zij het in de context van de huidige vergrijpboetes – Den Boer in zijn noot bij HR 2 november 1994, BNB 1995/19 (punt 2).
Zie paragraaf 14.4.3.2 hiervoor. Zie voorts de werkwijze zoals die ten aanzien van de aangifteverzuimboete van art. 67a AWR was afgesproken tussen de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën (Brief Belastingdienst 15 juni 2015, V-N 2015/36.5) en het bestaande praktische beleid ten aanzien van de aangifteverzuimboete bij de IB (V-N 2022/40.17).
Zie paragraaf 14.4.2.
Zie paragraaf 14.4.3.2.
HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.8, BNB 2014/17 en HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.9, r.o. 3.5.2, alsmede HR 19 december 2014, V-N 2015/2.21, BNB 2015/45, HR 19 december 2014, V-N 2015/2.23.17, BNB 2015/44, HR 10 juni 2005, V-N 2005/30.6, BNB 2005/293. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 23 april 2014, V-N 2014/39.23, r.o. 4.10 e.v., Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2014, V-N 2014/53.26.22, alsmede Hof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2019, V-N 2019/35.31.6, r.o. 4.19-4.20, Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2014, V-N 2015/12.16, r.o. 4.11 e.v. (Wet MRB), Rb Zeeland-West Brabant 26 november 2013, V-N 2014/6.17 en Hof Arnhem-Leeuwarden 12 januari 2016, V-N 2016/22.18.17 (Wet BZM).
Hof Arnhem-Leeuwarden 16 november 2021, V-N 2022/9.28.13, r.o. 4.4-4.5, Hof 's-Hertogenbosch 4 februari 2021, V-N 2021/20.25.29, r.o. 4.4 e.v., Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2014, V-N 2015/12.16, r.o. 4.14-4.15, Rb Gelderland 21 juli 2015, V-N 2015/52.21.17.
Zie bijvoorbeeld Rb Noord-Holland 26 maart 2021, V-N 2021/25.18.12, r.o. 9, Hof ’s-Hertogenbosch 26 juni 2015, V-N 2016/5.24.4 en vgl. de uitspraken in feitelijke aanleg die leidden tot HR 1 mei 2015, V-N 2015/24.18 (art. 81 Wet RO). Zie ook reeds HR 10 juni 2005, V-N 2005/30.6, BNB 2005/293.
Zie voor een voorbeeld waarin het argument van de bedoeling van de wetgever in het kader van de omzetbelasting werd afgewezen Hof Amsterdam 19 mei 2016, V-N 2016/44.14.7, r.o. 5.3-5.4.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2016, V-N 2016/44.4, r.o. 4.8 e.v., dat een betaalverzuimboete in de MRB van € 147 ten opzichte van het te laat betaalde bedrag van € 29 onevenredig achtte, vooral omdat een vergrijpboete vanwege hetzelfde feit gemaximeerd zou zijn geweest op 100 % van de niet-betaalde belasting. De Staatssecretaris van Financiën was dit met het Hof eens (zie zijn Besluit van 1 september 2016, Stcrt. 2016, 47203). Dat is opvallend, aangezien de inspecteur op grond van paragraaf 15 lid 1 BBBB zou moeten kiezen voor de hogere verzuimboete. In dezelfde zin (ook op grond van de vergelijking met de strafmaat bij vergrijpboetes): Rb Noord-Holland 23 maart 2022, V-N 2022/23.26.8, r.o. 15 (bis).
Zie voor enkele voorbeelden Hof Amsterdam 16 maart 2023, V-N 2023/29.25.26, r.o. 5.8, Rb Noord-Nederland 25 april 2023, V-N 2023/29.25.27, r.o. 8 en Rb Noord-Holland 23 maart 2022, V-N 2022/23.26.8, r.o. 15.
Ook verzuimboetes worden door de rechter gematigd op grond van het criterium ‘passend en geboden’.1 De jurisprudentie over de matiging van de algemeen geldende verzuimboetes was tot 2010 relatief schaars.2 Met ingang van 2010 werd de standaard-aangifteverzuimboete van art. 67a AWR voor de vennootschapsbelasting beleidsmatig aanzienlijk verhoogd.3 Uit de stroom aan feitenrechtspraak waartoe die verhoging heeft geleid, komt naar voren dat de belastingrechter ook bij verzuimboetes alle denkbare (persoonlijke) omstandigheden van het geval meeweegt bij zijn passend en geboden-oordeel.4
Juist bij verzuimboetes is een zorgvuldige beoordeling van de evenredigheid naar mijn mening van groot belang, omdat de ernst van het feit geen rol speelt bij de vraag of het beboetbare feit is begaan.5 Bij vergrijpboetes is dat anders: als de centrale stellingen zijn bewezen, staat vast dat er met opzet of grove schuld is gehandeld, waarmee de ernst van de gedraging tot op zekere hoogte een gegeven is.6 Dat komt ook tot uitdrukking in het BBBB, waarin voor wat betreft de standaard-strafmaat een onderscheid wordt gemaakt tussen de beide schuldgradaties (doorgaans uitmondend in een boete van 50 % respectievelijk 25 %). Bij verzuimboetes houdt het bewijs van de centrale stellingen niet meer in dan dat vaststaat dat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld.7
In dit verband dringt zich de vraag op of het bedrag van de aanslag in verband waarmee de verzuimboete wordt opgelegd, een relevante factor is voor de strafmaat. Dat is naar mijn mening als regel niet het geval. De wetgever heeft namelijk een bewuste keuze gemaakt, door bij de meeste verzuimboetes geen rechtstreeks verband tussen de omvang van de heffing en de hoogte van de boete aan te brengen. Volgens zowel de wetgever als de beleidgever dienen verzuimboetes vooral om de naleving van de aangifte- en afdrachtverplichtingen af te dwingen.8 De strafmaat dient dan ook in dat licht te worden beschouwd.9 Dat betekent dat een (ogenschijnlijke) wanverhouding tussen de hoogte van de boete enerzijds en het bedrag aan achterliggende heffing anderzijds, in beginsel niet relevant is.10 Waar het om gaat, is of de aard en ernst van het begane verzuim (bijvoorbeeld het niet of te laat doen van aangifte) de opgelegde boete rechtvaardigt (ongeacht welk bedrag aan heffing uit die aangifte voortvloeit).11 Verzuimboetes kennen om die reden, anders dan vergrijpboetes, doorgaans geen grondslagkoppeling. De uitzonderingen op de regel worden gevormd door de betaalverzuimboete die ter zake van een naheffingsaanslag kan worden opgelegd en de betaalverzuimboete die bij aanslagbelastingen kan worden opgelegd.12 Beleidsmatig bestaat er bij die verzuimboetes wél een grondslagkoppeling.13 Kennelijk is het bedrag van de heffing volgens de beleidgever dan dus toch van groot belang bij de evenredigheidstoets. De rechter is bij zijn passend en geboden-oordeel uiteraard niet aan die opvatting gebonden, maar het staat hem naar mijn mening wel vrij om bij de bepaling van de strafmaat gewicht toe te kennen aan de omvang van de heffing.14
Verzuimboetes worden veelal geautomatiseerd opgelegd,15 waardoor de hoogte van de boete op voorhand niet wordt afgestemd op de omstandigheden van het concrete geval.16 Eerder kwam reeds aan de orde, dat het EVRM de wetgever op zichzelf toestaat om de omvang van de boete te fixeren op een vast bedrag of een bepaald percentage, mits dat weloverwogen gebeurt.17 Bij de Nederlandse fiscale boete is echter niet de wetgever (die slechts het maximum heeft bepaald), maar de beleidgever verantwoordelijk voor de fixatie op vaste percentages of bedragen (de hoogte is immers vastgelegd in het BBBB).18 Nu de vol toetsende rechter zich van die fixatie vervolgens niets hoeft aan te trekken, is er vanuit het perspectief van de fair hearing weinig op een dergelijk geautomatiseerd systeem aan te merken.
De rechter dient zich wél rekenschap te geven van de strafmaat die de wetgever voor ogen heeft gestaan. Dat kan onder omstandigheden tot terughoudendheid bij de volle toetsing nopen. De enige mij in dit verband bekende voorbeelden uit de jurisprudentie, waarin de uitgezette lijn van de wetgever zwaarder diende te wegen dan het zelfstandige oordeel van de rechter, betroffen zaken in de sfeer van de autobelastingen (zoals de Wet MRB en de Wet BZM).19 Het gaat er dan om, dat de rechter de bedoeling van de wetgever ten aanzien van de hoogte van de boete nadrukkelijk als uitgangspunt neemt. Dat laat onverlet, dat de rechter ook in dergelijke gevallen een zelfstandige evenredigheidstoets dient uit te voeren.20 Omstandigheden zoals het zijn van first offender, deplorabele financiële omstandigheden of verminderde verwijtbaarheid kunnen ook in dergelijke gevallen dus wel degelijk tot matiging leiden.21 Die matiging moet dan worden toegepast op het door de wetgever beoogde uitgangspunt. Voor wat betreft de boetes in de sfeer van de Wet MRB22 lijkt evenwel een kentering in de (feiten)rechtspraak zichtbaar.23 De argumenten die de wetgever in het verleden heeft gegeven, worden minder van belang geacht en de beoordeling van de strafmaat verschuift naar een ‘gewoon’ passend en geboden-oordeel van (alleen) de rechter.24 Ook de beleidgever heeft het uitgangspunt ten aanzien van de hoogte van de bijzondere verzuimboetes op grond van de Wet MRB recent versoepeld (van 100 % naar 50 %).25