Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/5.3.5
5.3.5 Andere belanghebbenden
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708319:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreid hoofdstuk 6 en met name paragraaf 6.3.5.
Stb. 2005, 700. De toelichting op deze bepaling volgt uit Kamerstukken II 1999/00, 19529, nr. 5, p. 62.
Bijvoorbeeld in het faillissement van DSB. Zie daarover Betlem, FD 16 juni 2022. Zie verder HR 24 april 2020, NJ 2020/291; Rechtbank Den Haag 26 maart 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:2755 (Mexx); Rechtbank Amsterdam 7 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1891 en HR 24 juni 2016, NJ 2016/497 (Boele’s Scheepswerven). Uit onderzoek van Rikkert volgt dat volledige betaling van alle schulden volgde in 9 van de 7.567 beëindigde faillissementen van rechtspersonen in de periode van 1 september 2019 tot 1 september 2021. Zie Rikkert, TvI 2022/26, par. 3.5.
Bosvelt & Lok 2019, p. 150-151.
Zoals gebeurde in HR 24 april 2020, NJ 2020/291. Zie in dat kader ook de annotatie onder dit arrest van M.Y. Nethe in Ondernemingsrecht 2020/135.
Zie hierover de annotatie van R. Mulder onder Rechtbank Amsterdam 10 juli 2019, JOR 2019/238 (Slotervaart).
Aldus ook Bosvelt & Lok 2019, p. 151. Wat minder expliciet Van Apeldoorn 2009, p. 78.
Mennens 2020, nr. par. 8.2.2.2. Zie over de vraag wie schuldeiser is bij obligaties uitgebreid Salah, TR 2021, afl. 4, par. 2.
Vriesendorp & Salah, MvV 2020, afl. 6, par. 3.6.
HR 26 augustus 2003, JOR 2003/211 (UPC), r.o. 3.8.2 en 3.8.3. Zie ook Rechtbank Amsterdam 21 februari 2002, JOR 2002/107 (GTS) en Rechtbank Amsterdam 9 mei 2014, JOR 2014/306 (Plaza Centers). Zie hierover verder Salah, TR 2021, afl. 5, par. 1.
HR 26 augustus 2003, JOR 2003/211 (UPC), r.o. 3.8.3
HR 20 februari 2004, JOR 2004/121 (Pannekeet/De Witt Wijnen q.q.).
Aldus ook A. van Hees in zijn annotatie onder HR 20 februari 2004, JOR 2004/121 (Pannekeet/De Witt Wijnen q.q.), par. 3.
Rechtbank Rotterdam 9 november 2007, JOR 2008/26. Overigens was de gemeente in deze uitspraak ook schuldeiser en daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Zie hierover ook Klaassen, De Kloe & Jansen, TvI 2020/5.
Zo ook Van Apeldoorn 2009, p. 143. Vgl. het nader in paragraaf 5.7.2 besproken voorstel van Engberts om voor het beroepsrecht van artikel 67 Fw aan te sluiten bij het belanghebbendenbegrip van artikel 358 Rv in B.J. Engberts, annotatie onder HR 22 december 2017, JBPR 2018/31, par. 5.
Op een aantal manieren kunnen belanghebbenden die geen schuldeiser zijn en niet de gefailleerde zijn (indirect) een beroep doen op artikel 69 Fw. De schuldeiserscommissie heeft ook de bevoegdheid om een artikel 69-verzoek in te dienen. Niet alleen schuldeisers maar ook anderen kunnen lid zijn van de schuldeiserscommissie. Als de failliete schuldenaar een onderneming drijft en de onderneming mogelijk kan worden doorgestart, ligt het bijvoorbeeld voor de hand dat een vertegenwoordiger van de werknemers lid wordt van de commissie.1 Ook andere belanghebbenden kunnen worden benoemd tot lid van de schuldeiserscommissie.2 Deze niet-schuldeisers kunnen de besluitvorming binnen de commissie beïnvloeden en het ertoe leiden dat de commissie gebruikmaakt van het klachtrecht van artikel 69 Fw. Op die manier kunnen andere belanghebbenden die lid zijn van de commissie indirect gebruikmaken van het klachtrecht. Verder is, als eerder opgemerkt, artikel 69 Fw sinds 1 januari 2006 van overeenkomstige toepassing op de begunstigde van een levensverzekering, ook als de begunstigde een ander is dan de failliet (art. 22a lid 4 Fw).3
Financiële belangen
Anderen dan genoemde personen zijn niet bevoegd gebruik te maken van het klachtrecht, terwijl het mogelijk is dat zij een financieel belang hebben bij het uitoefenen van invloed op het beleid van de curator. Een voor de hand liggende groep financieel belanghebbenden wordt gevormd door degenen die gerechtigd zijn tot het liquidatieoverschot van een rechtspersoon. Bij een kapitaalvennootschap zijn dat in beginsel de aandeelhouders (art. 2:23b lid 1 BW). Af en toe komt het voor dat een faillissement eindigt met een liquidatieoverschot.4 Als er kans is op een liquidatieoverschot, dan zijn het, naast de niet-verifieerbare schuldeisers, met name de aandeelhouders die een financieel belang hebben bij de wijze waarop het faillissement wordt afgewikkeld.5 Weliswaar kan het bestuur van de failliete vennootschap namens de vennootschap gebruikmaken van het klachtrecht,6 maar de bestuurders hebben hier persoonlijk niet altijd een belang bij. Als de inzet van de procedure zou zijn dat de curator de bestuurders aansprakelijk stelt,7 is het belang van de aandeelhouders zelfs in strijd met dat van de bestuurders. Het is daarom wenselijk dat aandeelhouders ook de mogelijkheid hebben een artikel 69-verzoek in te dienen.8
Andere partijen die belang hebben bij de afwikkeling van het faillissement maar op grond van huidig recht niet de bevoegdheid hebben een artikel 69-verzoek in te dienen, zijn partijen die juridisch geen schuldeisers zijn maar wel een economisch belang hebben bij een vordering. Een voorbeeld van economisch rechthebbenden die geen vordering hebben op de schuldenaar zijn obligatiehouders die het financiële risico dragen, terwijl de obligaties zijn ingebracht bij een effectenbedrijf dat als bewaarder de juridisch rechthebbende is van de obligaties.9 De WHOA biedt hiervoor een oplossing door te bepalen dat de akkoordaanbieder ervoor mag kiezen deze economisch gerechtigden over het akkoord te laten stemmen in plaats van degene die juridisch schuldeiser is (art. 381 lid 3 Fw).10 In surseances van betaling heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het mogelijk is het stemrecht toe te kennen aan de economisch gerechtigden van de obligaties op grond van artikel 225 Fw.11 De Hoge Raad overweegt dat de economisch gerechtigden ‘in dit geval uit een oogpunt van rechtvaardigheid en doelmatigheid op één lijn [moeten] worden gesteld met de schuldeisers als bedoeld in de Nederlandse Faillissementswet (…)’.12 Met het oog hierop zouden dergelijke economisch gerechtigden ook de bevoegdheid moeten hebben een artikel 69-verzoek in te dienen.
Voorts hebben bijvoorbeeld bestuurders die jegens de bedoel aansprakelijk zijn voor het faillissementstekort op grond van artikel 2:138/248 BW een financieel belang bij de afwikkeling van het faillissement, terwijl zij thans niet-ontvankelijk zijn in een artikel 69-verzoek.13 Omdat deze bestuurders, behoudens matiging, aansprakelijk zijn voor het volledige tekort in het faillissement, hebben zij belang bij een zo hoog mogelijke opbrengst en zo laag mogelijke faillissementskosten. Het ligt voor de hand bestuurders de bevoegdheid te geven om deze reden gebruik te maken van het klachtrecht en het niet aan te laten komen op een matiging van het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn vanwege de wijze waarop het faillissement is afgewikkeld.14
Overige belangen
Het belang waarvoor andere belanghebbenden gebruik zouden willen maken van het klachtrecht, hoeft niet per definitie een direct financieel belang te zijn. In aansluiting op het eerste en tweede gezichtspunt uit hoofdstuk 2.3 heb ik in hoofdstuk 3 geconcludeerd dat de curator zich weliswaar in de eerste plaats moet richten op het belang van de gezamenlijke schuldeisers, maar ook rekening moet houden met belangen van alle andere bij het faillissement betrokkenen. Als dat zo is, dan ligt het voor de hand dat deze belanghebbenden ook de mogelijkheid hebben invloed uit te oefenen op de afwikkeling van het faillissement. Die mogelijkheid is er inmiddels doordat anderen dan schuldeisers lid kunnen zijn van de schuldeiserscommissie.
Dergelijke andere belanghebbenden zijn bijvoorbeeld gemeenten die voor het algemeen belang zoals het bestrijden van verpaupering willen opkomen,15 maar ook werknemers. In het voorontwerp Wet overgang van onderneming in faillissement16 wordt aan werknemers meer invloed toegekend door de rechter-commissaris te verplichten werknemersvertegenwoordigers te horen voordat hij toestemming geeft voor een doorstart die als overgang van onderneming kan worden gekwalificeerd (art. 176a lid 2 Fw (nieuw)). Werknemersvertegenwoordigers kunnen op basis van het voorontwerp ook in beroep bij de rechtbank tegen de beslissing van de rechter-commissaris op dit punt (art. 67 lid 3 en 4 Fw (nieuw)).17 Dat werknemers als belanghebbenden bij de afwikkeling van het faillissement op die manier meer invloed krijgen op de afwikkeling van het faillissement is een goede ontwikkeling, maar deze ontwikkeling zou breder moeten worden getrokken. Het is naar mijn mening wenselijk dat werknemers, maar ook andere belanghebbenden, tevens gebruik kunnen maken van het klachtrecht.18