Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.3.5.3
5.3.5.3 Realiteitsbeginsel
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186891:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Du Perron 1991, p. 135, Du Perron 1999, hoofdstuk 4, Verstegen 1987, p. 119, Van Brakel 1948, p. 487, Kortmann 1993a, p. 138 en Vorstman 1939, p. 2 en 3. Zie over de verhouding van derden tot de verbintenissen uit de overeenkomst Kortmann 1977, p. 47 e.v.
Vgl. Suijling 1927, p. 66: “Het bestaan van vorderingen is voor derden niet onverschillig”, vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2016/17.
Verstegen 1987, p. 119.
Van Brakel 1948, p. 487.
Kortmann 1993a, p. 138.
Zie ook HR 20 januari 1984, NJ 1984/512 (Ontvanger/Barendregt).
Zie Wibier 2007, p. 56 e.v. en p. 115 en Van der Kwaak 1990, p. 62. Zie ook Fransis 2017, nr. 264 en par. 4.2.2.2 van dit werk.
Zie par. 5.3.5. Vgl. de nadruk die Fransis legt op het onderscheid tussen de verbindende kracht en de verbintenisscheppende inhoud van een overeenkomst, Fransis 2017, deel II, hoofdstuk IV. Een eigenlijke achterstelling is bij uitstek onderdeel van de verbindende kracht van de overeenkomst zonder een verbintenis te zijn die uit de overeenkomst voortvloeit. Vgl. ook het onderscheid tussen de inhoud van de vordering en daaraan toegekende eigenschappen in par. 5.3.3.2.
Vgl. Kortmann 1977, p. 47, Wibier 2007, p. 47, Verdaas 2008, p. 313, Van der Kwaak 1990, p. 61-62 en par. 5.3.3.2.
Zo ook Fransis 2017, nr. 285-286. Vgl. reeds A. van Hees 1989, p. 103. Zie ook Faber 2002, p. 145.
Vgl. Abendroth 2015 en Fransis 2017, nr. 248.
Vgl. Mayer 2007, p. 210.
In dezelfde zin: Fransis 2017, nr. 285.
Zie par. 7.4.2.2 en 7.4.2.4.
186. De relativiteit van overeenkomsten betekent niet dat derden het bestaan van een overeenkomst kunnen negeren.1 De overeenkomst bestaat in objectieve zin. Hij maakt daarmee ook onderdeel uit van de juridische wereld waar derden zich in begeven.2 Verstegen, Van Brakel en Kortmann formuleren het aldus:
“Het bestaan van de overeenkomst is een feit dat elkeen moet erkennen en onder omstandigheden mag inroepen of moet ondergaan.”3
“… kan men de houding welke derden tegenover de overeenkomst moeten aannemen, aldus karakteriseren, dat zij de overeenkomst als een tussen anderen geschapen rechtsverhouding hebben te erkennen en te eerbiedigen.”4
“Het relativiteitsbeginsel staat er niet aan in de weg dat derden zich op het bestaan van een overeenkomst kunnen beroepen.”5
Derden hebben een onderlinge rechtsverhouding tussen twee partijen te accepteren zoals die twee partijen hun onderlinge rechtsverhouding hebben vormgegeven.6 Wibier duidt dit aan als het ‘realiteitsbeginsel’, Van der Kwaak als het ‘realiteitsprincipe’.7
Dit beginsel is in het bijzonder relevant voor overeenkomsten die de rechtsverhouding tussen partijen bepalen op een andere wijze dan door nieuwe verbintenissen te scheppen.8 Men zou daarbij kunnen spreken van ‘constitutieve overeenkomsten’. Derden hebben te accepteren dat de onderlinge rechtstoestand tussen de partijen van een overeenkomst is zoals de partijen die met hun overeenkomst hebben bepaald. Dat geldt bijvoorbeeld voor een verrekeningsbeding, een arbitragebeding, een forumkeuzebeding, of een beding dat een vordering onoverdraagbaar maakt. Een derde die te maken krijgt met de goederen waar deze overeenkomsten op zien treft die goederen aan in de toestand waarin die door de overeenkomst zijn gebracht.9
Deze derdenwerking is voldoende voor de senior om een beroep te kunnen doen op een achterstellingsovereenkomst die is gesloten tussen de juniorschuldeiser en de schuldenaar.10 De overeenkomst van achterstelling wijzigt het verhaalsrecht van de juniorschuldeiser.11 De seniorschuldeiser kan eenvoudigweg constateren dat het verhaalsrecht van de junior is gewijzigd en zich erop beroepen dat het verhaalsrecht van de junior alleen bestaat met de eigenschappen die daar door de achterstellingsovereenkomst aan verbonden zijn.
187. Een senior die een beroep doet op het bestaan van de achterstellingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende eigenschappen van het verhaalsrecht vordert daarom geen nakoming van een verbintenis.12 De senior wijst slechts een ander, vaak de curator, op de objectieve toestand van het recht, in dit geval van de toestand waarin het verhaalsrecht van de junior bestaat.13
De positie van de senior is niet wezenlijk anders dan die van ieder ander die geen partij is bij de achterstellingsovereenkomst. In beginsel kan iedereen een beroep doen op het bestaan van de achterstellingsovereenkomst. Anderen dan de senior hebben daar echter zelden een belang bij. De juniorvordering is niet in rang verlaagd ten opzichte van hun vordering, dus de achterstelling beïnvloedt hun aandeel van de executie-opbrengst niet.14