Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/5.3.5.2
5.3.5.2 Relativiteit van overeenkomsten
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186485:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 3 februari 1959, NJ 1960/120, AA V, p. 170. (Hardy).
Du Perron 1991, p. 849.
Zie Valk, in Hijma e.a. 2016, nr. 299, Du Perron 1999, hoofdstuk 1, Van Brakel 1948, p. 473 en Kortmann 1993a, p. 138.
Asser/Sieburgh 6-III 2018/520, Du Perron 1991, p. 135 en Kortmann 1993a, p. 142. Anders: Dirix 1984, p. 90.
Kortmann 1993a, p. 142 leidt dit af uit artt. 6:5 lid 2, 6:160 lid 2, 6:251 lid 3, 6:253 lid 1 en 6:253 lid 4 BW.
Zie art. 6:253 BW, V.V. II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 953, MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 956 en HR 13 februari 1924, p. 711 (Gouda/Ontvanger).
Asser/Sieburgh 6-III 2018/51 & 520, Du Perron 1999, p. 72, Valk in Hijma e.a. 2016, nr. 299 en Van Laarhoven 2006, p. 36.
Dit is een parafrase van Dirix 1984, p. 19.
Zie Kortmann 1977, hoofdstuk 2 en Du Perron 1999, p. 71 en 73.
Art. 1376 BW (oud): “Overeenkomsten zijn alleen van kracht tusschen de handelende partijen. Dezelve kunnen aan derden geen voordeel aanbrengen dan alleen in het geval voorzien bij art. 1353 [een derdenbeding, NP].”
MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 917.
MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 918.
184. De relativiteit van overeenkomsten houdt in zijn meest ruime vorm in dat overeenkomsten enkel gevolgen hebben voor de partijen bij die overeenkomst. Wie buiten een overeenkomst staat kan daar noch door benadeeld noch door bevoordeeld worden.1 Dit wordt afgeleid uit het autonomiebeginsel.2 Op grond daarvan kunnen partijen in het privaatrecht niet tegen hun wil gebonden worden.3 Daaruit wordt zelfs afgeleid dat derden geen rechten kunnen ontlenen aan de overeenkomst waar zij geen partij bij zijn.4 De partijen bij de overeenkomst hebben zich immers niet jegens de derde verbonden en aan de derde kunnen geen rechten worden opgedrongen zonder zijn instemming.5 Daarom werkt een derdenbeding bijvoorbeeld pas na aanvaarding door de derde.6
Het beginsel van de relativiteit van overeenkomsten is beperkt tot verbintenissen. Het houdt slechts in dat een overeenkomst geen verbintenissen doet ontstaan ten behoeve of ten laste van derden.7 Bovendien kunnen de partijen geen verweermiddelen jegens derden aan de overeenkomst ontlenen en vice versa. De overeenkomst kan door de partijen en door de derden noch als zwaard, noch als schild jegens elkaar gebruikt worden.8
185. De relativiteit van overeenkomsten verhindert niet dat derden feitelijk voordeel of feitelijk nadeel kunnen lijden van een overeenkomst waar zij geen partij bij zijn.9 Zo kan een schuldeiser feitelijk worden benadeeld doordat zijn schuldenaar zijn vermogenspositie verslechtert, bijvoorbeeld door een goed te goedkoop te verkopen. De grenzen van geoorloofde benadeling worden bepaald door de actio Pauliana en de onrechtmatige daad. Die leiden er echter niet toe dat elke overeenkomst die een schuldenaar sluit en die diens schuldeisers benadeelt ook vernietigbaar of onrechtmatig is.
Het oude Burgerlijk Wetboek codificeerde de relativiteit van overeenkomsten.10 Bij het opstellen van het huidige Burgerlijk Wetboek is die bepaling geschrapt.11 Het doel daarvan was om ruimte te laten aan de rechtsontwikkeling om derdenwerking van overeenkomsten te aanvaarden in andere gevallen dan de in de wet genoemde, hoewel de minister daarbij voor enige voorzichtigheid pleitte.12