Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/19.4.3.1
19.4.3.1 De twee schakels van het csqn-vereiste
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS581472:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de heldere uiteenzettingen van B.J. de Jong (2007b), p. 514-518 en Pijls (2009a), p. 184-189, met verdere verwijzingen.
Evenzo: B.J. de Jong (2007b), p. 514 en 516 en Pijls (2009a), p. 184.
Hier wordt door uiteenlopende auteurs op gewezen. Uitgebreid hierover Pijls (2009b), p. 171 e.v. met verdere verwijzingen.
Over deze problematiek: B.J. de Jong (2007b), p. 514, met een verwijzing naar de uitspraken van Rechtbank Arnhem 23 maart 2005 en 23 november 2005 (resp. JOR 2005/140 en 2006/2). Zie over de vraag of vragen van causaliteit en schade op basis van het huidige art. 3:305a BW collectief kunnen worden behandeld, naast B.J. de Jong (2007b), ook Pijls (2008), p. 346, voetnoten 40 en 41.
A-G Timmerman spreekt in onderdeel 4.7.5.10 van zijn conclusie vóór het VEB/World Online-arrest over 'gevallen als de onderhavige waarin sprake is van een structurele bewijsnood ten aanzien van het causale verband'.
Aldus Pijls (2008), p. 347, voetnoot 50. Zie hierover ook zijn opmerking in Pijls (2009b), p. 172, dat hij zich 'niet aan de indruk [kan] ontrekken dat het in de praktijk nogal eens voorkomt dat het causaal verband volgens de hoofdregel van art. 150 Rv. op zeer lichte (mijns inziens te lichte) gronden wordt aangenomen, terwijl hier in het concrete geval onvoldoende aanknopingspunten voor zijn.'
R.o. 4.11.1, met een verwijzing naar het arrest van 2 december 1994 inzake ABN AMRO/ Coop (NJ 1996, 246, m.nt. D.W.F. Verkade).
Eveneens in r.o. 4.11.1 van het VEB/World Online-arrest.
Vgl. in deze zin het Hof Amsterdam 27 mei 1993, NJ 1993, 682 (Coop), in r.o. 5.16. Deze opvatting wordt in de literatuur niet breed gedeeld, aldus B.J. de Jong (2007b), p. 517.
In deze zin: Jansen/SchreuderNerhagen (2003), p. 92-93. Zie ook de verwijzing naar hen van Pijls (2009a), p. 187.
In deze bewoordingen Timmerman (1996), p. 81.
B.J. de Jong (2007b), p. 516-517, met een verwijzing naar Hoge Raad 11 december 1931, NJ 1932, 147 (Aeilkema-Veenkoloniale Bank). Dit arrest is — hetgeen Pijls (2009a), p. 186, voetnoot 25, benadrukt — niet gewezen in het kader van prospectusaansprakelijkheid, maar zag op aansprakelijkheid voor publicatie van misleidende jaarstukken. Overigens moet de betekenis van dat onderscheid naar mijn mening niet worden overschat, zoals ik in de volgende paragraaf zal uitwerken.
Vgl. hetgeen hierover is opgemerkt in § 3.3 van hoofdstuk 14 en de aldaar genoemde auteurs. In de Nederlandse literatuur is (de toepassing van deze theorie) door Mendel (1992) op de kaart gezet. Verdere bespreking van dit onderwerp gaat het bestek van deze studie te buiten.
Derhalve ook buiten prospectusaansprakelijkheid. Voor recente beschrijvingen van deze theorie, incl. de werking in de Amerikaanse rechtspraktijk: K. Raaijmakers (2008), met een bespreking van de mogelijkheden in uiteenlopende aansprakelijkheidsprocedures. Zie daarnaast B.J. de Jong (2007b), p. 518 e.v., schrijvend over toepassing van deze theorie toegespitst op de secundaire markt.
Bij beantwoording van de vraag of een causaal verband bestaat tussen publicatie van een misleidend prospectus en schade moet een onderscheid worden gemaakt tussen het feitelijk causaal verband — het vereiste van "condicio sine qua non" (het csqn-vereiste) — en toerekening (in de zin van art. 6:98 BW).1 Het csqn-vereiste houdt in dat de publicatie van het misleidende prospectus de oorzaak vormt van het ontstaan van schade. Het csqn-vereiste bestaat uit 2 schakels. De eerste schakel is het vereiste van causaal verband tussen het misleidend prospectus en de investeringsbeslissing. De tweede, daarop voortbouwende, schakel is het vereiste van causaal verband tussen het misleidend prospectus en de (omvang van de) schade. Indien aan het — uit deze twee schakels bestaande — csqn-vereiste is voldaan, komt de toerekeningsvraag in beeld: staat de schade in zodanig verband met de publicatie van het misleidende prospectus dat deze aan de aansprakelijk gestelde kan worden toegerekend.2 Het is aan investeerders om het bestaan van causaal verband te stellen en, bij betwisting, te bewijzen.
Het bewijzen van causaal verband zal investeerders in de praktijk vaak voor problemen plaatsen.3 Er lijken goede redenen aanwezig, in het bijzonder bij collectieve acties op basis van art. 3:305a BW4, om het csqn-vereiste niet te stringent te hanteren in prospectusaansprakelijkheidsprocedures wil men privaatrechtelijke handhaving van de prospectusplicht effectief doen zijn.5 Zoals terecht is opgemerkt is dat overigens een rechtspolitieke vraag.6 De Hoge Raad lijkt hier in het VEB/World Online-arrest overigens gevoelig voor. Enerzijds stelt hij weliswaar dat (ook) voor de prospectusaansprakelijkheid "de gewone regels betreffende stelplicht en bewijslast gelden ten aanzien van de vraag of de schade in een zodanig verband met de misleiding staat dat zij als gevolg daarvan aan degene die de misleidende mededeling openbaar heeft gemaakt, kan worden toegerekend".7 Anderzijds stelt de Hoge Raad eveneens vast dat de, hieruit voortvloeiende, op investeerder rustende stelplicht en bewijslast ter zake van het csqn-vereiste "problematisch" is en dat de Prospectusrichtlijn ertoe dwingt dat "een effectieve rechtsbescherming geboden moet worden volgens de regels van het nationale recht."8
De kern van deze problematiek, en de daarover in de literatuur gevoerde discussies, ziet op (de stelplicht en bewijslast van het antwoord op) de vraag welke rol het misleidende prospectus moeten hebben gespeeld bij de (aankoop) beslissing van investeerders. Drie uiteenlopende zienswijzen kunnen daarbij worden onderscheiden. Een "strenge" benadering, inhoudende dat de investeerder "is afgegaan of mede is afgegaan op het desbetreffende prospectus".9 Een iets minder strenge benadering, inhoudende dat de investeerder door het prospectus in zijn aankoopbeslissing is beïnvloed.10 En de meest soepele benadering, inhoudend dat de investeerder is afgegaan op "de door het prospectus teweeggebrachte positieve stemming op de markt"11 of (zelfs) op de "zuiverheid van de beurskoers."12 Deze laatste benadering is sterk geïnspireerd door de "fraud-on-the-market theory"13 die in Amerikaanse "class actions" bij "misleidende" financiële informatie een belangrijke rol speelt.14