Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.4.4:6.4.4 Het tweede Wilders-proces als political question?
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.4.4
6.4.4 Het tweede Wilders-proces als political question?
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233736:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 23 juni 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9001, NJ 2012/370, m.nt. Mevis, AA 2012, p. 290-294, m.nt. Schutgens.
Rb. Den Haag 14 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12362, r.o. 2.3.2 (tussenvonnis); Rb. Den Haag 9 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15014, r.o. 4.2 (eindvonnis).
Vgl. ook Schutgens in zijn noot onder het vonnis in de eerdere strafzaak tegen Wilders (AA 2012, p. 293).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is ten slotte hoe de voorgaande bevindingen zich verhouden tot de in de inleiding van dit onderzoek genoemde strafzaak tegen Geert Wilders over zijn ‘minder minder’-uitspraak tijdens een politieke bijeenkomst van de PVV in 2014. Tijdens die bijeenkomst vroeg Wilders zijn aanwezige aanhangers of zij meer of minder Marokkanen in Nederland wilden. Nadat zijn aan-hangers duidelijk hadden gemaakt minder Marokkanen te willen, zegde Wilders toe dat te zullen regelen. Het Openbaar Ministerie besloot Wilders voor deze uitspraak te vervolgen.
Deze strafzaak volgde op een eerdere strafzaak tegen Wilders over bepaalde uitspraken over de islam.1 Zoals in de inleiding van dit onderzoek is beschreven, wierp de advocaat van Wilders in deze nieuwe strafzaak de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op. Daarbij deed hij uitdrukkelijk een beroep op de political question-doctrine: of de beruchte uitspraak van Wilders toelaatbaar was, was volgens zijn advocaat een political question en daarom voorbehouden aan het parlement. De rechtbank in Den Haag verwierp dat betoog. Volgens de rechtbank zou zij met een inhoudelijk oordeel over de toelaatbaarheid van de uitspraken van Wilders zich niet uitspreken over het ‘soort democratie dat Nederland zou moeten hebben’ of het beleid dat volgens Wilders of de PVV zou moeten worden gevoerd.2
Voor dit oordeel valt veel te zeggen. Wilders deed zijn uitspraak niet tijdens een vergadering van de Eerste of Tweede Kamer of een Kamercommissie, maar daarbuiten. Daarmee viel de uitspraak niet binnen het bereik van artikel 71 Gw en de daarin neergelegde parlementaire immuniteit.3 Evenmin was sprake van een ambtsmisdrijf waarop artikel 119 Gw van toepassing is. Voor de vervolging van Wilders was daarom geen beslissing van de regering of de Tweede Kamer vereist. Een political question was dan ook niet aan de orde.