Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.5.4
3.5.4 Het afleggen van verantwoording
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS496120:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Bovend’Eert 1999, p. 11; O.R. de Lange, De rol van de rechter in de samenleving, WODC-onderzoek 1977, p. 34, 37; F.J.F.M. Duynstee, ‘Rechterlijke onafhankelijkheid’, in: Van den Bergh e.a. (red.), Rechtspleging, Deventer: Kluwer 1974, p. 51.
Tonkens-Gerkema, ‘Terughoudendheid van Kamerleden gewenst’, Trema 2006, p. 107.
H. t. België, EHRM 30 november 1987, Serie A, 127-B, § 51.
J.E.S. Fawcett, The Application of the European Convention on Human Rights, Oxford: Clar-endon Press 1987, p. 171. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak Zand, ECRM 12 oktober 1978, D&R 15, p. 70.
ICJ practitioners guide no. 1, International Principles on the independence and accountability of judges, lawyers and prosecuters 2007, p. 20.
Als complement van de opvatting dat een rechter met het oog op zijn onafhankelijkheid geen bevelen mag krijgen in de uitoefening van zijn rechterlijke functie, kan worden aangevoerd dat de rechter geen verantwoording hoeft af te leggen over zijn rechterlijke beslissingen aan enig bestuursorgaan of aan het parlement, op een wijze zoals bijvoorbeeld geldt voor de ministeriële verantwoordelijkheid. De rechterlijke onafhankelijkheid sluit het afleggen van verantwoording aan wetgever en bestuur uit.1 De Kamers kunnen geen verantwoording vragen aan de rechter, alleen aan de Minister van Justitie. Bovendien kunnen Kamerleden alleen achteraf commentaar geven vanuit hun rol als wetgever of controleur van de minister.2 Aangezien de Minister van Justitie niet bevoegd is om aanwijzingen te geven bij de totstandkoming van een rechterlijk oordeel, zullen de vragen niet mogen gaan over de inhoud van een rechterlijke uitspraak. Natuurlijk vindt – in geheel andere zin – wel publieke verantwoording plaats via de motivering van een rechterlijke uitspraak en de openbaarheid van de zitting en de uitspraak. Maar dat is een verantwoording ten behoeve van het eerlijke proces die is gericht op de procespartijen en de maatschappij in het algemeen. Dergelijke verantwoording heeft niets van doen met de rechterlijke onafhankelijkheid. Er kunnen geen rechtsgevolgen aan worden verbonden voor de rechter.
In de jurisprudentie komt het al dan niet moeten afleggen van verantwoording door een rechter niet zo vaak expliciet aan de orde. Hierop vormt de zaak H t. België een uitzondering:
‘There can be no question about the independence of the members of the Council of the Ordre des avocats. They are elected by their peers (…) and are not subject to any authority, being answerable only to their own consciences.’3
Ook Fawcett concludeert dat ‘the independence of a tribunal is secured under Article 6 by its members being not answerable at any stage to anyone in the hierarchy of government’.4 De ICJ haalt een negatief voorbeeld aan uit Noord Korea in relatie tot de wetgevende macht. Dat het Centrale Hof verantwoording verschuldigd is aan de Supreme People’s Assembly, de wetgever van Noord-Korea, brengt volgens het VN Human Rights Committee de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtsprekende macht ernstig in gevaar.5
In het kader van beoordelingen van rechters is vaker aandacht geschonken aan het afleggen van verantwoording (ten behoeve van die beoordeling). In Cooper merkt het Hof over de positie van de permanente president in het militaire gerecht onder meer op:
‘It is true that, in contrast to the army, appraisal reports were prepared on permanent presidents in the Royal Air Force and the Court would echo the concerns expressed by Lords Bingham and Rodger in this regard. However, the essential point for present purposes is that no appraisal report had been drawn up on the present permanent president since August 1997 and, crucially, such reports could not have referred to that officer's judicial decision-making. As Lord Bingham pointed out, permanent presidents were answerable to no one in the discharge of their court-martial functions.’
Het Hof verwijst hier naar de argumentatie van Lord Bingham in de uitspraak R v. Boyd and Others (House of Lords, 18 juli 2002) over militaire gerechten. Die luidt ten aanzien van dit punt:
‘While no doubt they are, as officers, answerable for any extra-judicial delinquency, as any judge might be, they are answerable to no one for the discharge of their decision-making function.’