Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.2.2
2.2.2 Achtergrond
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254050:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 966 (Vraagpunt).
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 966 (Vraagpunt). Zie bijv. HR 8 januari 1926, NJ 1926, p. 203, m.nt. E.M. Meijers (Sarongs) en HR 12 november 1926, NJ 1927, p. 218, m.nt. E.M. Meijers (Koninklijke Hollandsche Lloyd/Weissman).
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 967 (Vraagpunt).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 274-275 (TM).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 275 (TM). Zie over §242 BGB ook par. 2.2.6.
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 275 (TM).
Looschelders & Olzen, in: Staudingers Kommentar BGB, §242 2019, aant. 907 e.v. en Schubert, in: Münchener Kommentar BGB, §242 2019, aant. 95-96.
Weber, in: Staudingers Kommentar BGB, §1018 2017, aant. 153; Looschelders & Olzen, in: Staudingers Kommentar BGB, §242 2019, aant. 934 en Mohr, in: Münchener Kommentar BGB, §1018 2020, aant. 62. Zie ook par. 2.2.6.
Lorenz, in: BeckOK BGB §313 2020, aant. 9. Dat komt omdat §313 BGB een uitwerking is van §242 BGB. §242 BGB kan worden gezien als het equivalent van de Nederlandse redelijkheid en billijkheid en is van toepassing in het goederenrecht.
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 276 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 322 (MvA II).
Struycken 2007, p. 384 met verwijzingen naar de parlementaire geschiedenis.
W. Snijders, in: In het nu, wat worden zal 1991, p. 65.
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 258 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 322 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 322 (MvA II). Zie ook Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 275 (TM) en Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 968 (TM).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 322 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 275 (TM).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 277 (MvA II).
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 277 (MvA II).
34. Invoering van een imprévision-regeling voor beperkte rechten hangt samen met de invoering van een imprévision-regeling voor overeenkomsten. Art. 6:258 lid 1 BW maakt een rechterlijke wijziging of ontbinding van overeenkomsten mogelijk op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag worden verwacht van de wederpartij. Tijdens de parlementaire behandeling is erop gewezen dat de problematiek van gewijzigde omstandigheden naar Duits recht werd opgelost via het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd ingevolge §242 BGB.1 Naar Nederlands recht heeft de Hoge Raad onder het oude recht echter geoordeeld “dat de goede trouw niet aldus het overeengekomen mag op zij zetten (…).”2 Een wettelijke regeling verdiende bovendien de voorkeur vanwege de rechtszekerheid.3 Inmiddels kent het Duitse recht in §313 BGB een regeling vergelijkbaar met art. 6:258 lid 1 BW. In §313 BGB is de zogenoemde Störung der Geschäftsgrundlage geregeld. §313 BGB geeft regels voor de wijziging van een overeenkomst als gevolg van veranderde omstandigheden.
35. Een met art. 6:258 lid 1 BW vergelijkbare regeling kende het Ontwerp-Meijers voor erfdienstbaarheden, omdat daar volgens Meijers behoefte aan bestond.4 Hij wees erop dat in het Duitse recht ook voor beperkte rechten de problematiek van gewijzigde omstandigheden werd opgelost via §242 BGB.5 Volgens Meijers bood een wettelijke regeling echter meer houvast dan een oplossing via een rechtsbeginsel zoals de goede trouw.6 §242 BGB is – alhoewel lange tijd omstreden – inderdaad van toepassing in het goederenrecht.7 §242 BGB is – bij gebreke van een specifieke goederenrechtelijke regeling – naar Duits recht nog steeds de belangrijkste grondslag om de inhoud van vooral erfdienstbaarheden aan te passen aan gewijzigde omstandigheden.8 Naar huidig Duits recht is §313 BGB ook van toepassing in het goederenrecht.9 Uit jurisprudentie blijkt echter dat de beperkte rechten zelf niet onder het bereik van §313 BGB vallen, maar alleen de aan een beperkt recht ten grondslag liggende overeenkomst.10 Dat betekent dat §313 BGB alleen werking heeft tussen de oorspronkelijke partijen die betrokken waren bij de vestiging van het beperkte recht.11 Uiteraard kunnen ook de partijen bij een beperkt recht die niet betrokken waren bij de oorspronkelijke vestiging van het beperkte recht hun rechtsverhouding nader inrichten via een overeenkomst. Op die overeenkomst kan §313 BGB dan ook worden toegepast.
36. Het Ontwerp-Meijers is gewijzigd in de huidige tekst van art. 5:78 aanhef en sub a BW om meer aan te sluiten bij art. 6:258 lid 1 BW.12 Een imprévision-regeling voor de rechten van erfpacht en opstal ontbrak in het Ontwerp-Meijers. Volgens de memorie van antwoord was het echter wenselijk een dergelijke regeling op te nemen, zoals dat ook was gebeurd met betrekking tot erfdienstbaarheden.13 Zodoende is art. 5:97 BW ingevoerd. Via de schakelbepaling van art. 5:104 lid 2 is art. 5:97 BW ook van toepassing op zelfstandige opstalrechten.
37. De goederenrechtelijke imprévision-bepalingen hangen samen met het feit dat zakelijke beperkte rechten doorgaans voor een lange(re) periode worden gevestigd, soms zelfs voor eeuwig. De invoering van het huidige BW heeft een verruiming van de partijautonomie betekend,14 waardoor de bezwaren die aan deze zakelijke beperkte rechten kunnen kleven toenemen. Die bezwaren zien met name op een onwenselijke langdurige verstarring van de gebruiksmogelijkheden van de grond en meer in het algemeen van het eigendomsrecht.15 Het gevaar bestaat dat na verloop van tijd door gewijzigde omstandigheden onverkorte handhaving van het beperkte recht onbillijk is. De beperkte rechten kunnen bijvoorbeeld tot een (te zware) verstikking of belasting van het eigendomsrecht leiden.16 Het beperkte recht kan voor een van de partijen een disproportionele last worden, maar kan ook een belemmering vormen voor de verhandelbaarheid van goederen. Dit wordt als maatschappelijk onwenselijk gezien. Zo geeft de memorie van antwoord bij art. 5:97 BW aan dat een erfpachtrecht doorgaans voor lange tijd wordt gevestigd en dat zelfs een eeuwigdurend recht met uitsluiting van de mogelijkheid van eenzijdige beëindiging door partijen mogelijk is, zodat de redenen achter invoering van art. 6:258 lid 1 BW “zeker niet in mindere mate gelden” in het kader van erfpachtrechten.17
38. Volgens de wetsgeschiedenis diende echter wel rekening te worden gehouden met de “grotere stabiliteit die in zakenrechtelijke verhoudingen als waarom het hier gaat, door partijen en derden mag worden verwacht.”18 Om die reden bepaalt art. 5:97 lid 1 BW dat wijziging (of opheffing) pas mogelijk is nadat vijfentwintig jaar na de vestiging van het erfpachtrecht zijn verstreken.19 Dezelfde wachttermijn geldt via art. 5:104 lid 2 jo. art. 5:97 lid 1 BW voor het zelfstandige opstalrecht. Om dezelfde reden was in het Ontwerp-Meijers een rechterlijk ingrijpen bij erfdienstbaarheden de eerste twintig jaar uitgesloten.20 Die eis is geschrapt om meer aansluiting te zoeken bij art. 6:258 lid 1 BW.21 Tevens blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de rechter bij het afwegen van de redelijkheid en billijkheid rekening moet houden met het belang van de goederenrechtelijke stabiliteit.22