Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.13.8:2.13.8 Toenemend belang van het materiële budgetrecht
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/2.13.8
2.13.8 Toenemend belang van het materiële budgetrecht
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Warmelink 1993, p. 263-264.
Kamerstukken II 1982/83, 17 847, nr. 23, p. 3. Zie ook Diamant & Van Emmerik 2011, p. 1943.
Kamerstukken II 2013/14, 33 837, nr. 4, p. 3 (Advies RvS zesde wijziging CW 2001). Zie ook Diamant & Van Emmerik 2011, p. 1943.
Zie ook Kamerstukken II 2013/14, 33 837, nr. 4, p. 4 (Advies RvS zesde wijziging CW 2001).
Zie ook Warmelink 1993 p. 350.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de betekenis van het materiële budgetrecht is afgenomen met betrekking tot de reguliere suppletoire begrotingen (zie paragraaf 2.9.4), blijft de toepassing ervan van belang. In crisissituaties is toepassing van dit materiële budgetrecht dan ook op haar plaats.
Toepassing vindt plaats als beleid niet op de formele vaststelling van een suppletoire begroting kan wachten. Door middel van vooruitlopende begrotingsinformatie wordt het parlement op de hoogte gesteld van de beleidsaanpassingen en de daarmee gepaard gaande budgettaire wijzigingen. Zo wordt voorkomen dat het parlement voor voldongen feiten wordt geplaatst.1 Deze vooruitlopende begrotingsinformatie wordt bij afzonderlijke brief, mondeling overleg of in een budgettaire nota aan het parlement overlegd. Het parlement gaat hier vervolgens stilzwijgend mee akkoord of verwerpt deze. In het geval dat ingestemd wordt met de budgettaire wijzingen oefent het parlement zijn budgetrecht in materiële zin uit.2 De vooruitlopende begrotingsinformatie aan het parlement kan in uitzonderlijke situaties, zoals hiervoor omschreven, ook vertrouwelijk worden medegedeeld.
Om tegemoet te komen aan het materiële budgetrecht moet het parlement de mogelijkheid hebben om in te stemmen met de voorgenomen uitgaven. Dit kan, zoals gezegd, uitdrukkelijk of stilzwijgend. Het enkel informeren van het parlement is, zoals de Raad van State stelt, niet voldoende: in essentie houdt het budgetrecht ten slotte in dat het parlement de uitgaven van te voren moet goedkeuren.3
De toepassing van het materiële budgetrecht is echter geen voldoende voorwaarde om tegemoet te komen aan de eisen uit artikel 105 Grondwet.4 Het parlement zal altijd achteraf formele autorisatie moeten verlenen aan de uitgave door het aanvaarden van een (suppletoire) begrotingswet.
Het materiële budgetrecht wordt niet alleen toegepast in spoedeisende situaties waarbij niet gewacht kan worden op het vaststellen van een (suppletoire) begrotingswet, maar wordt ook doorlopend, gedurende de begrotingscyclus, toegepast.5 De ontwikkeling van het budgetrecht toont zelfs aan dat het materiële budgetrecht steeds belangrijker wordt. Immers het parlement is in de politieke praktijk niet alleen betrokken bij de vaststelling van de begrotingswetsvoorstellen, maar ook steeds meer bij de besluiten die daaraan vooraf gaan en in het algemeen bij het beleid van de regering dat ten grondslag ligt aan de begroting. Zoals verder in deze studie aan wordt getoond is dit bovendien in toenemende mate het geval nu de begroting steeds meer wordt genormeerd door Europese regelgeving en Europese besluitvormingsprocedures die voorafgaan aan de formele besluitvorming over de nationale begroting.