Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.1.1:7.1.1 Voorlopige hechtenis
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/7.1.1
7.1.1 Voorlopige hechtenis
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200786:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij voorlopige hechtenis is sprake van een aflopende reeks. Politiemensen zijn van mening dat voorlopige hechtenis vaker en langer zou moeten worden toegepast, terwijl officieren van justitie en met name rechters vinden dat hiermee strikter moet worden omgegaan (onder meer op basis van geldende jurisprudentie). Meer dan politiemensen en officieren van justitie leggen rechters in hun opvattingen over (terughoudend omgaan met) voorlopige hechtenis nadruk op het belang van voorkomen van recidive. Ook hebben zij er het meeste vertrouwen in dat dit doel kan worden gerealiseerd. Daarnaast vinden rechters het van groot belang dat persoonlijke omstandigheden van de verdachte en wat deze daarover vertelt, worden meegewogen. Tegelijkertijd vertonen de onderzochte groepen overeenkomsten. Zo zien veel politiemensen voorlopige hechtenis als voorschot op de straf, maar dat geldt ook voor sommige officieren van justitie en rechters. Ook komt in alle drie groepen de opvatting voor dat beheersing van risico’s op de korte termijn en het bieden van ‘praktische oplossingen’ soms belangrijker zouden moeten zijn dan het strikt volgen van juridische kaders.
Volgens een deel van de officieren van justitie en volgens een deel van de rechters dient in lijn met de jurisprudentie terughoudend te worden omgegaan met de toepassing van voorlopige hechtenis. In beide groepen wordt echter ook de opvatting gehuldigd dat er aanleiding is de juridische kaders voor voorlopige hechtenis niet als dwingend te beschouwen en voorlopige hechtenis vooral als voorschot op de straf te zien. Meestal wil men voorkomen dat verdachten hun straf ontlopen, doordat zittingsrechters vaak een te lage of geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zouden opleggen wanneer verdachten niet meer in voorlopige hechtenis zitten.
Sommige officieren van justitie erkennen dat hun juridische beoordeling afhankelijk is van een (moreel of gevoelsmatig) gewenste uitkomst en vinden dat soepel met juridische kaders voor voorlopige hechtenis omgegaan moet kunnen worden. Politiemensen denken daar vaak hetzelfde over. Zij beschouwen een acute afschrikkende werking van strafrechtelijk optreden als essentieel voor hun gezag op straat en voor een effectieve aanpak van criminaliteit. Ook valt met name bij politiemensen op dat toepassing van voorlopige hechtenis volgens hen een belangrijk signaal is voor burgers die door de overheid willen worden beschermd. Er moet sprake zijn van ‘expressieve normering’ (vgl. Garland, 2001) nadat strafbare feiten zijn gepleegd: een reactie van de autoriteiten dient duidelijk zichtbaar te zijn. Volgens politiemensen heeft de mogelijk afschrikkende werking van voorlopige hechtenis grote waarde, maar dat geldt ook voor het beeld dat erdoor zou worden opgeroepen, van autoriteiten die problemen serieus nemen.
In alle drie onderzochte groepen wordt ervaren dat vergelijkbare gevallen in de praktijk verschillend worden beoordeeld. Hierdoor ontstaan onvrede en onbegrip, met name onder politiemensen. Voor hen lijkt het vaak lastig om te begrijpen waarom uiteindelijk anders wordt beslist dan van tevoren verwacht (voor zover zij hiervan in kennis worden gesteld). Hieraan draagt bij dat politiemensen in een deel van de gevallen niet over basale juridische kennis beschikken over voorlopige hechtenis.
Kortom, er zijn belangrijke verschillen tussen de groepen maar tegelijk zijn er opvattingen over voorlopige hechtenis die onder zowel politiemensen, officieren van justitie als rechters voorkomen. Daarbij staat ook een deel van de rechters vanuit morele en praktische overwegingen een ruime toepassing van voorlopige hechtenis voor en daarmee een ruime interpretatie van de betreffende juridische kaders. Zowel onder officieren van justitie als onder rechters blijken verschillen te bestaan in oriëntatie: er zijn ‘preciezen’ en ‘rekkelijken’ (vgl. De Groot-van Leeuwen, 1991: 178-179). In alle drie onderzochte groepen is, ondanks dat dit in strijd is met de onschuldpresumptie, steun aanwezig voor voorlopige hechtenis als voorschot op de straf.