Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.3.2.2
6.3.2.2 Een roerende zaak
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS390664:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Aubry & Rau II, § 174, Planiol & Ripert/Picard III, nr. 621, Larroumet 2006, nr. 400 en Terré & Simler 2014, nr. 409. Door de Nederlandse wetgever van 1838 werd art. 1141 Cc – naast het feit dat het Nederlandse recht voor de eigendomsverkrijging wel een levering vereiste – overbodig geacht omdat elders in het wetboek (art. 2014 OBW was gelijk aan het huidige art. 2276 Cc) opgenomen dat met betrekking tot roerende zaken, het bezit als volkomen titel geldt. Zie Asser 1838, p. 471.
Deze regel kan worden toegeschreven aan François Bourjon die in zijn Le droit commun de la France uit 1747 (Livre III, titre 22, chap. 5) in zijn beschouwingen over de Romeinse rechtsfiguur van de verkrijgende verjaring betoogde dat voor dit leerstuk onder het droit commun francais ten aanzien van roerende zaken geen plaats is omdat ‘la simple possession produit tout l’effet d’un titre parfait’. Zie ook Planiol & Ripert/Picard III, nr. 369. In de wetstoelichting voert Bigot de Préameneu voor het feit dat het bezit van roerende zaken als volkomen titel geldt aan het ontbreken van bezitsinterdicten, het feit dat men doorgaans de titel moeilijk kan bewijzen en de snelle circulatie van hand tot hand. Zie Locré XVI, p. 586.
Zie Planiol/Ripert & Boulanger I, nr. 3445. De regeling van art. 1141 Cc biedt niet alleen bij de verkrijging van eigendom bescherming aan de bezitter te goeder trouw, maar geldt tevens voor de verkrijging van andere zakelijke rechten zoals een recht van vruchtgebruik. Zie Larroumet 2006, nr. 394.
Zie Planiol & Ripert/Picard III, nr. 380. Ik wijs erop dat de regeling van 2276 Cc – ofschoon de vertaalde wettekst gelijk was aan art. 2014 OBW – naar Nederlands recht een andere rol inneemt dan naar Frans recht. Voor de eigendomsverkrijging onder het Franse art. 2276 Cc is immers geen geldige titel is vereist, terwijl de regeling naar Nederlands recht slechts bescherming biedt tegen een gebrek in de beschikkingsbevoegdheid van de vervreemder. Zie hierover Zwalve 2006, p. 296-299.
Uit deze redenering volgt dat de eerste verkrijger geen beroep op de goede trouw zal hoeven doen, hetgeen uit de strekking van art. 1141 Cc kan worden afgeleid omdat wanneer er nog geen eerdere vervreemding heeft plaatsgehad, de eerste verkrijger per definitie te goeder trouw is.
Zie Planiol/Ripert & Boulanger I, nr. 3444 en Danos, diss. 2007, p. 397.
Zie Planiol/Ripert & Boulanger I, nr. 3444, Planiol & Ripert/Picard III, nr. 625 en Terré & Simler 2014, nr. 409.
De aanwezigheid van kwade trouw bij de tweede koper staat er weldegelijk aan in de weg dat hij zijn recht kan tegenwerpen aan de eerste koper die heeft verzuimd zijn recht te registeren. Zie Cass. civ. 3e, 28 mai 1979, Bull. civ. III, nr. 116. De bewijslast rust dan wel op de eerste koper om aan te tonen dat de tweede koper van de eerdere verkoop op de hoogte was.
Planiol & Ripert/Picard III, nr. 381, Ripert & Boulanger I, p. 1142 en Terré & Simler 2014, nr. 437.
Behalve de bescherming aan de verkrijger te goeder trouw, vervult art. 2276 Cc ook een bewijsfunctie. De bezitter wordt vermoed de roerende zaak rechtmatig te hebben verkregen. Hij ontleent aan het artikel het vermoeden van het bestaan van een geldige titel. Zie Planiol/Ripert & Boulanger I, nr. 3436, Planiol & Ripert/Picard III, nr. 374 en Aubry & Rau II, § 183.
De wetgever heeft het risico van een dubbele verkoop van een roerende zaak onder ogen gezien en heeft in art. 1141 Cc een oplossing geboden voor het conflict dat aldus tussen beide kopers kan ontstaan:
‘Indien de zaak die men zich achtereenvolgens verbonden heeft te geven of te leveren aan twee personen, een zuiver roerende zaak is, heeft degene van beiden, die in het werkelijk bezit ervan gesteld is, de voorkeur en blijft hij eigenaar ervan, ook al is zijn titel van latere datum, mits althans het bezit te goeder trouw is.’
Uit deze bepaling wordt duidelijk dat niet zozeer degene met het oudste recht als wel diegene aan wie het werkelijke bezit is verschaft, mits hij te goeder trouw is, de eigendom verkrijgt. Deze oplossing lijkt een inbreuk te maken op het beginsel van art. 1138 Cc, maar valt in het licht van een ander beginsel dat is neergelegd in art. 2276 Cc neergelegd, te weten ‘en fait de meubles, la possession vaut titre’, waarvan art. 1141 Cc een lex specialis is, goed te verklaren.1 De verkrijging van het bezit te goeder trouw heeft naar Frans recht alle gevolgen van een volmaakte titel en leidt dus, met andere woorden, tot eigendomsverkrijging.2 De eerste koper is weliswaar door het sluiten van koopovereenkomst (par l’effet de convention) eigenaar geworden van de roerende zaak, de tweede koper verkrijgt niettemin de eigendom indien hij het bezit te goeder trouw heeft verkregen. Zijn eigendomsverkrijging vloeit dan niet voort uit de translatieve werking van de koopovereenkomst – de vervreemder was op dat moment immers geen eigenaar meer – maar volgt uit art. 2276 Cc.3 Het beroep op de regel ‘possession vaut titre’ beschermt daarmee de verkrijger te goeder trouw van een roerende zaak.4 Strikt genomen leidt een dubbele verbintenis om een roerende zaak geleverd te krijgen niet tot een prioriteitsconflict omdat de rechten van de eerste en tweede verkrijger niet gelijk zijn. De eerste verkrijger is immers eigenaargeworden en zal zich – om een beroep op art. 2276 Cc door de opvolgende verkrijger de pas af te snijden – de feitelijke macht over de roerende zaak dienen te verschaffen.5
De toepassing van het beginsel van art. 2276 Cc is beperkt tot roerende (lichamelijke) zaken. Anders dan bij de overdracht van onroerende zaken, waar art. 2276 Cc dus geen rol speelt, is de derdenwerking van een overdracht van een roerende zaak niet afhankelijk van nadere formaliteiten. Toch speelt de formaliteit van de bezitsverkrijging van een roerende zaak een met de registratie van de eigendomsoverdracht van een onroerende zaak vergelijkbare rol.6 De koper van een roerende zaak kan zijn eigendomsrecht jegens latere verkrijgers veiligstellen door bezitsverkrijging, terwijl de koper van een onroerende zaak daarvoor zijn eigendomsrecht dient te registreren. Men zou kunnen stellen dat op dezelfde wijze als de registratie bij onroerende zaken, de bezitsverkrijging bij roerende zaken de publiciteit aan de overdracht verleent.7 Het verschil is echter dat de koper van een roerende zaak slechts gevaar van een opvolgende koper te goeder trouw heeft te duchten, terwijl bij de verkrijging van een onroerende zaak het vereiste goede trouw in beginsel door de publicatie is geobjectiveerd.8 De goede trouw waaraan op het moment van de bezitsverkrijging door de tweede verkrijger van een roerende zaak moet zijn voldaan, wordt echter verondersteld aanwezig te zijn.9 Aan art. 2276 Cc ontleent de bezitter van een roerende zaak immers het bewijsvermoeden dat hij de zaak rechtmatig heeft verkregen.10 Aangezien de bewijslevering van het feit dat de opvolgende koper te kwader trouw heeft verkregen mogelijk als een zware last op de eerste koper drukt, loopt de eerste koper een wezenlijk risico om de eigendom van de zaak aan een ander te verliezen zo lang hij niet in het bezit is gesteld van roerende zaak.