Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.4.2
4.4.2 Voorwaarden voor toelating beleggingsfondsen
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193601:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 5 lid 2 Icbe-Richtlijn.
Overweging 24 Icbe-Richtlijn.
CESR/09-178, nr. 6, p. 11.
Art. 5 lid 3 en art. 20 lid 1 en 2 Icbe-Richtlijn.
Art. 20 lid 1 sub a Icbe-Richtlijn. In paragraaf 6.3.2 zijn de vereisten ten aanzien van de overeenkomst beschreven.
Art. 20 lid 1 sub b Icbe-Richtlijn. In paragraaf 5.4.3 zijn de vereisten ten aanzien van het delegeren van taken (uitbesteding) beschreven en in paragraaf 6.3.2 de vereisten ten aanzien van de overeenkomst tussen de beheerder en de bewaarder.
Art. 20 lid 2 Icbe-Richtlijn.
De CSSF verlangt onder meer informatie over het beleggingsbeleid, het risicobeheerbeleid, de waarderingsprincipes, de auditor en de marketingstrategie. De hele lijst met op te leveren informatie is opgenomen op haar website: https://www.cssf.lu/en/supervision/ivm/ucits/authorisation/procedure-for-initialauthorisation/ (ingezien op 27-06-2019). Dat geldt ook voor de Central Bank of Ireland: https://www.centralbank.ie/regulation/industry-market-sectors/funds/ucits/forms (ingezien op 27-06-2019).
Deze vereisten zijn toegelicht in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk.
Bij de totstandkoming van Icbe-Richtlijn IV stond deze periode van twee maanden ter discussie. De periode werd door de industrie als onnodig lang ervaren. Daarom stelde de expert group voor om de periode te maximeren tot 10 werkdagen voor subfondsen en 20 werkdagen voor paraplufondsen. Deze termijnen waren in lijn met de termijnen in andere Richtlijnen (zoals de Prospectusrichtlijn, welke nu is vervangen door de Prospectusverordening). Dit voorstel heeft het uiteindelijk niet gehaald. Achterliggende gedachte hierbij was dat gezien de complexiteit van sommige icbe’s niet alle toezichthouders binnen 10 dagen een goed oordeel kunnen vellen. Het instellen van een dergelijke termijn doet af aan het vertrouwen dat beleggers in een goedgekeurde icbe kunnen hebben. Bovendien werd verwacht dat competitie tussen toezichthouders de doorlooptijd zou beïnvloeden. Zie ook: SEC/2006/1451 def.
Voor icbe-beleggingsfondsen zijn er slechts drie voorwaarden opgesomd die de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van de icbe moet aanvaarden alvorens hij een vergunning mag afgeven. Deze betreffen:1
de aanvraag van een toegelaten beheerder met het verzoek de icbe te beheren;
het fondsreglement;
de keuze van de bewaarder.
Pas als deze drie elementen zijn aanvaard door de bevoegde autoriteit, kan het icbe-beleggingsfonds worden toegelaten. Na toelating kan gestart worden met het uitvoeren van werkzaamheden en kan dus daadwerkelijk belegd worden in de icbe.2 Naast deze drie voorwaarden mogen er geen juridische beletselen zijn die verhinderen dat de deelnemingsrechten van de icbe worden verhandeld in de lidstaat van herkomst.3 Dit zou het vertrouwen in de doeltreffendheid van het toezicht van autoriteiten uit andere lidstaten moeten vergroten en toezichtsarbitrage voorkomen.4 In de Richtlijn worden de drie voorwaarden slechts beperkt verder ingevuld.
Ad 1. Een vergunning mag niet worden verleend indien de beheerder geen vergunning heeft om een icbe te beheren in de lidstaat van herkomst van de beheerder.5 De beheerder en de vergunningplicht van de beheerder zijn beschreven in hoofdstuk 5. Ik zal er daarom op deze plek niet verder op ingaan. Ook dient de beheerder een risicobeheerproces te hebben dat adequaat en effectief is voor wat betreft het type icbe dat de beheerder wil gaan beheren.6
Het is geen voorwaarde voor een vergunning dat de beheerder in de lidstaat van herkomst van de icbe is gevestigd of dat hij daar enige activiteit verricht.7
Wel gelden er additionele vereisten indien de beheerder een andere lidstaat van herkomst heeft dan de icbe.8 De autoriteit van de lidstaat van herkomst van de icbe is ook in dat geval bevoegd om over het toelatingsverzoek te beslissen. De aanvullende voorwaarden luiden als volgt:
De beheerder en de bewaarder dienen een overeenkomst te sluiten inzake de uitwisseling van de gegevens die de bewaarder nodig heeft voor het uitvoeren van zijn taken.9 Deze overeenkomst moet overlegd worden aan de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van de icbe.
Informatie over gedelegeerde beheertaken moet eveneens worden overlegd aan de bevoegde autoriteit.10
De beheerder moet het type icbe dat hij wil gaan beheren in de eigen lidstaat van herkomst mogen beheren.11 Hierover mag de autoriteit van het land van herkomst van de icbe een verklaring vragen aan de autoriteit van het land van herkomst van de beheerder.
De toepasselijke regels zijn voor een deel afkomstig uit de lidstaat van herkomst van de beheerder en voor een deel uit de lidstaat van herkomst van de icbe. In paragraaf 5.6 is deze verdeling uitgewerkt.
Ad 2. Het fondsreglement mag uiteraard niet in strijd zijn met bepalingen uit de Richtlijn. Verder zijn er geen vereisten opgenomen waaraan het fondsreglement dient te voldoen. Voorafgaand aan het verlenen van een vergunning vragen toezichthouders doorgaans meer informatie op over de icbe, waaronder het prospectus, de essentiële beleggersinformatie (ebi) en de marketingstrategie.12 Enerzijds kan zo worden beoordeeld of aan diverse vereisten wordt voldaan (bijvoorbeeld ten aanzien van het beleggingsbeleid), anderzijds dienen het prospectus en de ebi zelf ook aan bepaalde vereisten te voldoen.13 De Richtlijn bepaalt niet dat het prospectus of de ebi vooraf moet worden goedgekeurd. In de praktijk verlangen toezichthouders dit doorgaans wel.
Ad 3. De bewaarder moet gevestigd zijn in de lidstaat van herkomst van de icbe of daar zijn statutaire zetel hebben.14 Aan de bestuurders van de bewaarder zijn de vereisten verbonden dat ze bekend staan als voldoende betrouwbaar en dat ze over voldoende ervaring beschikken, gezien het type icbe dat ze beheren.15 In hoofdstuk 6 wordt uitgebreid ingegaan op de taken van de bewaarder en de voorwaarden voor het uitoefenen van taken als bewaarder. Het is mij niet duidelijk waarom bij de vergunningaanvraag van de icbe de bestuurders van de bewaarder getoetst moet worden nu, sinds Icbe-Richtlijn V, de bewaarder zelf ook een entiteit is die onder toezicht staat.16 De bestuurders van een bewaarder moeten te allen tijde voldoende betrouwbaar zijn en beschikken over voldoende kennis, vaardigheden en ervaring.17 De toegevoegde waarde van een nieuwe toets op het moment van de vergunningaanvraag van de icbe is daarmee beperkt. De eisen die gesteld worden aan de bestuurders van een bewaarder gelden ook voor de bestuurders van de beheerder, maar die worden getoetst bij de vergunningaanvraag voor de beheerder en niet opnieuw bij de vergunningaanvraag van een icbe.18 Dat lijkt een logischer opzet.
De bevoegde autoriteit heeft twee maanden om over de aanvraag te beslissen.19 Als de beheerder of de bewaarder vervangen wordt of als het fondsreglement gewijzigd wordt, is wederom goedkeuring vereist van de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van de icbe.20 Als de beheerder een andere lidstaat van herkomst heeft dan de icbe, dient de toezichthouder uit de lidstaat van herkomst van de icbe op de hoogte te worden gesteld in het geval er wijzigingen zijn in de documentatie die is ingediend in het kader van beheer van de icbe, dat wil zeggen in de overeenkomst met de bewaarder en informatie over afspraken betreffende het delegeren van taken.21