Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/8.4
8.4 Het functioneel verband van art. 6:170 als inspiratiebron
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300409:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 juli 2017, NJ 2017/467, m.nt. Spier (JMV/Zurich). Zie ook par. 5.3.1.
Par. 5.3.1.
Hoekzema 2000, p. 65-68; Lubach 2005, p. 314-315; Oldenhuis 2014, p. 68-69.
Schut 1963, p. 287 e.v.; Hoekzema 2000, p. 67. Zie ook reeds par. 5.3.1.
Dit betreft de vraag of de werknemers en werkgever tot één bedrijf behoren, hetgeen een andere ‘eenheid’ is dan die van art. 6:171, waarbij het immers de vraag is of het bedrijf van de opdrachtnemer en die van de opdrachtgever als een ‘eenheid’ zijn te beschouwen. Voorts is ‘eenheid’ op het terrein van art. 6:170 ‘slechts’ een gezichtspunt, maar binnen art. 6:171 de ‘harde’ toepassingsvoorwaarde.
Zie voor een en ander het richtinggevende arrest HR 9 november 2007, JA 2008/25 (Groot Kievitsdal).
Zie ook HR 30 oktober 2009, NJ 2010/52, m.nt. Mok (Blomaard/Gemeente Utrecht), alsmede Hoekzema 2000, p. 63-67.
Hoekzema 2000, p. 67; Oldenhuis 2014, p. 70.
Spier e.a. 2015, p. 97; HR 1 februari 1957, NJ 1957/175 (Verkeersongeval); HR 9 november 2007, JA 2008/25 (Groot Kievitsdal).
Parl. gesch. Boek 6, p. 719. Zie ook Tjong Tjin Tai 2006, p. 136: ‘Ook bij handelingen die in de sfeer van de werknemer zelf blijven liggen zijn vaak hulpmiddelen of voorbereidingen (zoals trainingen) betrokken die wél onder de zeggenschap van de werkgever vallen.’
HR 4 november 1938, NJ 1939/536 (Mishandeling door agenten).
Rb. Utrecht 7 december 2005, JA 2006/31 (Stoeien tijdens pauze).
HR 12 april 2002, NJ 2003/138, m.nt. Heerma van Voss (Heijboer/De Branding).
Hoekzema 2000, p. 66. Een verbod van de werkgever zou zelfs gewicht in de schaal kunnen leggen om juist wél een verband met het werk aan te nemen.
Hof Amsterdam 15 januari 1998, NJkort 1999/26 (Karatetrap collega); Rb. Arnhem 6 april 2005,NJF 2005/389 (Vechtpartij discotheek); Rb. Groningen 29 oktober 2003, VR 2004/165 (Mishandelende taxichauffeur). Zie voor een wat terughoudender benadering Hof Amsterdam 11 augustus 2015,ECLI:NL:GHAMS:2015:3301 (Mishandeling door leidinggevende), maar in vergelijkbare gevallen weer soepeler Rb. Noord-Holland 27 augustus 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:10003 (Mishandeling door caissière); Rb. Den Haag 22 juni 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7281 (Mishandeling op het werk); Hof Arnhem-Leeuwarden 30 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6980 (Mishandeling op uitzendbureau) en Rb. Rotterdam 8 februari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:1063 (Mishandeling door conducteur).
Rb. Utrecht 25 september 2002, NJ 2002/592 (Frauderende tussenpersoon); Hof Den Bosch 30 november 2004, NJF 2005/128 (Skimmende ober); Hof Den Bosch 18 oktober 2005, JA 2006/15 (Verduisterende buitendienstmedewerker); Hof Arnhem-Leeuwarden 26 november 2013, ECLI:NL: GHARL:2013:8971 (Misbruik door pastoor).
Hoekzema 2000, p. 81. Denk aan de nachtwaker die toezicht op geparkeerde auto’s moet houden, maar met behulp van een sleutel waarover hij uit hoofde van zijn functie beschikt een ritje met een auto – met schadelijke gevolgen – maakt.
HR 9 november 2007, JA 2008/25 (Groot Kievitsdal).
Vgl. ook Lubach 2005, p. 317: ‘Het ontbreken van functioneel verband leidt zelden tot afwijzing van aansprakelijkheid op grond van art. 6:170.’ (curs. Lubach)
Wanneer voor de uitleg van het functioneel verband van art. 6:181 te rade wordt gegaan bij ‘inspiratiebron’ art. 6:170, blijken de elementen kansvergroting en zeggenschap bij de beoordeling leidend te zijn.1 De zeggenschapseis ter beoordeling van het functioneel verband van art. 6:170 is in de literatuur zoals reeds gezegd kritisch ontvangen.2 Zo zou deze eis ten onrechte associaties oproepen met het ‘schuldbeginsel’, terwijl het aspect van zeggenschap binnen art. 6:170 al wordt gehanteerd ter concretisering van de ondergeschiktheidsverhouding en derhalve overbodig voorkomt.3 Ik meen ten eerste dat de rol van zeggenschap hier niet botst met het fenomeen kwalitatieve aansprakelijkheid, aangezien dit element niet ziet op het karakteriseren van het gedrag van de aansprakelijke persoon maar op het beantwoorden van de vraag op wie de aansprakelijkheid behoort rusten. Voorts ben ik van opvatting dat zeggenschap een rol kan spelen bij zowel het karakteriseren van de relatie tussen opdrachtgever en arbeidskracht als het functioneel verband tussen fout en werk. Dit ondersteunt mijn stelling dat (ook) het functioneel verband-vereiste van art. 6:170 strikt genomen gemist kan worden, omdat hetzelfde resultaat al valt te bereiken via de begrippen ‘ondergeschikte’ en ‘meester’. De voornoemde drie vereisten van art. 6:170 kunnen derhalve overlap vertonen waarbij niet iedere voorwaarde dezelfde mate van zelfstandige betekenis heeft, althans waarbij de(zelfde) beoordeling van aansprakelijkheid soms net zo goed over de ene als de andere boeg kan plaatsvinden.
Uit de voor de beoordeling van het functioneel verband van art. 6:170 relevante elementen kansvergroting en zeggenschap vloeien in ieder geval voort de ‘traditionele’ gezichtspunten als de aard, plaats en het tijdstip van de fout, alsmede het middel waarmee deze werd begaan.4 Hiernaast wordt ook relevant geacht of de dienstbetrekking de gelegenheid voor het maken van de fout heeft geschapen, alsook – hoewel geen voorwaarde – of de werkgever een verwijt valt te maken van de fout van de ondergeschikte. Voorts is van belang of de werknemers en werkgever ten tijde en ter plaatse van de fout als een zekere eenheid naar buiten traden (behorend tot één bedrijf).5 Ook is relevant of de activiteit waarbij de fout werd gemaakt kan worden geacht mede in het belang te zijn van de saamhorigheid in het bedrijf en de motivatie van de daar werkzame personen.6 Uitgangspunt bij dit alles is dat het functioneel verband van art. 6:170 snel wordt aangenomen en de risicosfeer van de opdrachtgever derhalve ruim is.7
Gelet op het vorenstaande is al snel sprake van voldoende verband met de werkzaamheden in de zin van art. 6:170, wanneer de fout van de ondergeschikte plaatsvond tijdens werktijd of op de plaats waar deze zijn werkzaamheden behoorde te verrichten. Hetzelfde geldt voor situaties waarin de fout door de ondergeschikte is gemaakt met middelen toebehorend aan of ter beschikking gesteld door diens opdrachtgever.8 Minder sprekend zijn de gevallen waarin geen sprake is van een direct verband met het opgedragen werk. Zo zullen gedragingen buiten diensttijd, bij gebreke van zeggenschap over de gedragingen van de ondergeschikte, in beginsel niet tot aansprakelijkheid van de opdrachtgever leiden.9 Dit geldt in beginsel ook voor gedragingen buiten de plaats waar de ondergeschikte zijn werkzaamheden behoorde te verrichten. ‘In beginsel’, want de omstandigheden van het geval kunnen ertoe leiden dat in de twee voornoemde situaties aansprakelijkheid ex art. 6:170 toch intreedt.10 De toelichting geeft het voorbeeld van fouten weliswaar buiten diensttijd en/of de werkplek begaan, maar die door de ondergeschikte zijn gemaakt bij gebruik van zaken die hem door de opdrachtgever ter beschikking zijn gesteld of dankzij gegevens/bescheiden die de ondergeschikte zich door zijn dienstbetrekking kon verschaffen.11 Dat ook fouten gemaakt buiten de eigenlijke taakvervulling tot aansprakelijkheid ex art. 6:170 kunnen leiden, is inmiddels vaste rechtspraak.12 Ook fouten begaan tijdens schaft- en/of rusttijd kunnen binnen het bereik van art. 6:170 vallen.13 Binnen het bereik van art. 6:170 kunnen evenzeer handelingen vallen die niet op instructie of aanwijzing van de opdrachtgever plaatsvinden, of die zelfs in strijd daarmee worden verricht.14 De opdrachtgever kan zodoende ook aansprakelijk zijn voor gedragingen die hij uitdrukkelijk verboden heeft.15 Zelfs het door de ondergeschikte opzettelijk toebrengen van schade16 dan wel het plegen van (andere) misdrijven17 behoeft het aannemen van het functioneel verband ex art. 6:170 niet in de weg te staan. En ook als de fout bestaat uit misbruik van de functie of als de schade ‘bij gelegenheid van’ de functie of de werkzaamheden is veroorzaakt, kan aansprakelijkheid ex art. 6:170 intreden.18 Kortom, het functioneel verband van art. 6:170 wordt als gezegd (zeer) ruim uitgelegd. Het functioneel verband van art. 6:170 betreft bovendien een feitelijk criterium, dat steeds van geval tot geval beoordeeld zal moeten worden.19 In het algemeen zal evenwel niet snel sprake zijn van het ontbreken van het door art. 6:170 geëiste functionele verband tussen de fout van de ondergeschikte en de aan hem opgedragen werkzaamheden.20
8.4.1 Aan art. 6:170 te ontlenen gezichtspunten8.4.2 ‘Bijzondere’ gevallen binnen het bedrijf8.4.3 Op de grens van de bedrijfs- en privésfeer