Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/3.6.3
3.6.3 Algemene beschrijving werking art. 2:11 BW
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS298884:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Over de eventuele mogelijkheid van disculpatie zie par. 3.9.1.
Borrius 2008, nr. 1. Zie par. 5.10.2 voor mijn commentaar op het arrest HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275 (Kampschöer/Le Roux) inzake de “automatische” doorwerking van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW.
Zie: par. 4.13.
“In beginsel”, want ingeval sprake is van een buitenlandse rechtspersoon-bestuurder ligt dit anders (zie Hoofdstuk 6).
MvT, Kamerstukken II, 16 631, nr. 3, p. 3.
Vgl. Regouw 2006, par. 3.
Kamerstukken, 16 631, nr. 3, p.3. Zie ook: Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/72.
Vgl. Regouw 2006, par. 4.
Zie daarover nader: Hoofdstuk 6.
MvT, p. 2-3. Wezeman 1998, p. 365 vergelijkt het doorschakelen van aansprakelijkheid van rechtspersoon-bestuurders naar tweedegraads bestuurders met matroesjkapoppetjes (zie ook: Kroeze en Wezeman 2016, p. 221). Vgl. ook: Assink 2011a. Uniken Venema 1981, p. 158 wijst erop dat in de praktijk de natuurlijke personen achter de rechtspersoon-bestuurder niet zelden moeilijk vindbaar schijnen te zijn indien meerdere rechtspersoon-bestuurders ‘achter elkaar worden opgesteld’. Ik deel die mening voor zover het particulieren betreft. Zij hebben – anders dan professionals, zoals notarissen en advocaten – niet gemakkelijk toegang tot het handelsregister en/of geen ervaring met het zoeken naar de uiteindelijk bevoegde bestuurders-natuurlijke personen. In internationale verhoudingen is het in zijn algemeenheid ook voor professionals niet altijd gemakkelijk om de uiteindelijk bevoegde bestuurders- natuurlijke personen te traceren.
Vgl. MvT bij art. 2:11 BW (bij invoering van art. 2:4a BW), Kamerstukken II 1980-1981, 16 631, nr. 3, p. 3.
Huizink 2001, p. 274.
Anders hoogstwaarschijnlijk: Bier 2016, par. 3. Zij is van mening dat men bij de toepassing van art. 2:11 BW niet als het ware in één keer kan doorpakken naar de uiteindelijke bestuurder, maar dat men dat steeds stap voor stap per rechtspersoon-bestuurder dient te doen. Deze mening vindt geen steun in de jurisprudentie. Ik verwijs onder meer naar Rechtbank Utrecht 9 juni 2004, ECLI:NL:RBUTR:2004:AP1506 (Stichting Befra), r.o. 4.5: “Artikel 2:11 BW geeft de curator de mogelijkheid om direct, zonder eerst de tussenliggende rechtspersonen aan te spreken, de achterliggende natuurlijke persoon aan te spreken.”
Rechtbank Arnhem 8 november 2006, NJF 2007, 54, r.o. 4.8.
Rechtbank Rotterdam 7 oktober 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BK3256, r.o. 5.28.
Rechtbank Rotterdam 24 januari 2002, JOR 2002, 55 (mr. Maas q.q./Jeffrey Holding c.s.), r.o. 5.2.
Rechtbank Rotterdam 26 juni 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5355 (OKDG 5/Mega Bike Retail Nederland), m.n. r.o. 4.21.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 april 2006, JOR 2006, 260 (Palland c.s./mr. Reuser q.q.).
R.o. 4.
R.o. 4.
R.o. 4.
Rechtbank Utrecht 14 januari 2004, NJF 2004, 224 (mr. drs Oude Grote Bevelsborg q.q./ Indus Consult c.s), r.o. 4.3.
Art. 2:11 BW geeft een uitbreiding aan de groep van personen die bestuurdersaansprakelijk zijn. Art. 2:11 BW heeft namelijk betrekking op de tweedegraads bestuurder die indirect – via de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder – bestuurder is van de bestuurde rechtspersoon.
Eerst dient men vast te stellen of de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder bestuurdersaansprakelijk is. Is dat het geval, dan is op grond van art. 2:11 BW in beginsel de aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder gegeven.1 De aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder is met andere woorden een voorwaarde voor de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder(s).2 Is de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder niet aansprakelijk, dan is automatisch geen sprake van aansprakelijkheid “via art. 2:11 BW” van de tweedegraads bestuurder(s). Het is daarbij overigens niet noodzakelijk dat de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder wordt aangesproken.3 Art. 2:11 BW werkt namelijk eveneens indien uitsluitend een tweedegraads bestuurder wordt aangesproken, mits de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder onder het toepassingsgebied van een bepaling leidend tot bestuurdersaansprakelijkheid valt.
Ingeval sprake is van meerdere “tussenholdings” (rechtspersonen) heeft art. 2:11 BW in beginsel betrekking op al die rechtspersonen. Daarnaast heeft art. 2:11 BW betrekking op de natuurlijk persoon die via die tussenschakels bestuurder is van de bestuurde rechtspersoon (werkmaatschappij).4 Als het ware wordt heen gezien door de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder en alle (rechtspersoon-)bestuurders in de verticale lijn van bestuurders zijn in beginsel aansprakelijk indien sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder. Art. 2:11 BW stelt geen grens aan het “door de rechtspersonen heen kijken”.5 Ook wordt in dit kader wel gezegd dat art. 2:11 BW geen limiet stelt aan het aantal schakels in de keten van hoofdelijke aansprakelijkheid.6 Daarmee bedoelt men dat indien een van de bestuurders weer een rechtspersoon is, voor die rechtspersoon hetzelfde geldt enzovoorts.7 Uiteindelijk dient ten minste één natuurlijk persoon aan te wijzen zijn als bestuurder. Op deze wijze wordt misbruik van rechtspersoonlijkheid door natuurlijke personen tegengegaan.8 In de titel van dit onderzoek stel ik de vraag hoe diep een bestuurder kan vallen. Het antwoord daarop is dat een bestuurder – in Nederlandse verhoudingen althans – afhankelijk van het aantal bestuurslagen heel diep kan vallen. Tussenschakeling van een buitenlandse rechtspersoon- bestuurder kan de val van de bestuurder breken of – in elk geval – verzachten.9
Dat art. 2:11 BW in door Nederlands recht beheerste (concern)verhoudingen net zolang kan worden toegepast totdat wordt uitgekomen bij de natuurlijke persoon of personen “achter” de gehele keten van rechtspersoon-bestuurders,10 komt (mede) door het gebruik in art. 2:11 BW van het woord “ieder”.11 Volgens Huizink zijn verschillende vragen in het kader van art. 2:11 BW “betrekkelijk eenvoudig”. Zo volgt naar de mening van Huizink uit de tekst van art. 2:11 BW dat wanneer de tweedegraads bestuurder op zijn beurt opnieuw een rechtspersoon is, de aansprakelijkheid doorloopt naar de derdegraads bestuurder enzovoorts.12 Naar mijn mening is art. 2:11 BW niet zodanig duidelijk geformuleerd dat men zonder omhaal kan stellen dat uit de tekst van dat artikel blijkt dat ook derdegraads, vierdegraads enzovoorts bestuurders onder de reikwijdte van het artikel vallen. Niettemin ben ik met Huizink van mening dat wanneer de tweedegraads bestuurder op zijn beurt opnieuw een rechtspersoon is, de aansprakelijkheid doorloopt naar de derdegraads bestuurder enzovoorts.13
In de jurisprudentie wordt regelmatig aandacht besteed aan de werking van art. 2:11 BW.
Een voorbeeld daarvan treft men aan in een zaak voorgelegd aan de Rechtbank Arnhem. Gedaagde A in die zaak was ten tijde van het aangaan van de in dat geding aan de orde zijnde transactie enig bestuurder van rechtspersoon B, die op zijn beurt enig bestuurder was van rechtspersoon C. De rechtbank overweegt dat voor zover B als enig bestuurder van C aansprakelijk is, deze aansprakelijkheid ook rust op gedaagde A.14 Een ander – maar minder duidelijk – voorbeeld betreft een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. In die zaak overweegt de rechtbank dat sprake is geweest van onbehoorlijke taakvervulling door “gedaagden 1 en 2”. Deze gedaagden 1 en 2 zijn volgens de rechtbank gelet op hetgeen in de betreffende uitspraak vermeld is en gelet op art. 2:11 BW aansprakelijk voor de tekorten in de boedels van enkele vennootschappen. Beide gedaagden zijn immers – aldus nog steeds de rechtbank – direct, dan wel indirect bestuurders (geweest) van die vennootschappen in de periode waarin de onbehoorlijke taakvervulling heeft plaatsgevonden.15
De Rechtbank Rotterdam overweegt in een in 2002 aan haar voorgelegde zaak dat – indien en voor zover komt vast te staan dat de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is uit hoofde van art. 2:248 BW – die aansprakelijkheid ingevolge art. 2:11 BW tevens hoofdelijk op de gedaagde natuurlijk persoon rust als bestuurder van die eerstegraads rechtspersoon- bestuurder.16 In een latere uitspraak overweegt diezelfde rechtbank Rotterdam in andere bewoordingen dat voor het ontstaan van aansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder bepalend is het ontstaan van de aansprakelijkheid van de eerstegraads bestuurder.17 Nu de rechtbank heeft overwogen dat de eerstegraads bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, heeft ook de tweedegraads bestuurder onrechtmatig gehandeld jegens eisers. Die tweedegraads bestuurder was volgens de rechtbank in de periode waarin de aansprakelijkheid ontstond nog niet afgetreden als bestuurder.
In een zaak voorgelegd aan het Gerechtshof ’s-Gravenhage18 merkt dat Gerechtshof op dat art. 2:11 BW meebrengt dat – indien eerstegraads bestuurder Management Adviesbureau Palland aansprakelijk is als bestuurder van Westland – de bestuurder van die eerstegraads bestuurder (zijnde Palland Holding) eveneens hoofdelijk aansprakelijk is.19 Palland Holding is in dat geval aansprakelijk als bestuurder van een andere rechtspersoon, zodat het artikel ook weer op haar toepasselijk is, met als gevolg dat ook haar bestuurder (Palland) hoofdelijk aansprakelijk is. Het Gerechtshof merkt op dat de aansprakelijkheid wordt “doorgeschakeld” tot het einde van de keten en dat uit de wetsgeschiedenis en de literatuur blijkt dat art. 2:11 BW aldus moet worden begrepen. Het Gerechtshof verwijst daarbij naar MvT 16631 nr. 3, p. 3: “Is een van de bestuurders weer een rechtspersoon, dan geldt voor die rechtspersoon hetzelfde enz.’’.20 Het Gerechtshof verwerpt het verweer van Palland c.s. inhoudende dat slechts de tweedegraads bestuurder-natuurlijke persoon kan worden aangesproken. Het Gerechtshof merkt in dit kader tevens op dat uit de (door Palland aangehaalde) rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat deze doorschakeling niet tevens geldt voor degenen die niet bestuurders zijn, maar wel feitelijk het beleid bepalen. Volgens het Gerechtshof doet dat echter aan de doorschakeling bij formeel bestuurders niet af. Evenmin kan volgens het Gerechtshof uit het feit dat een andere vennootschap binnen een fiscale eenheid niet zonder meer aansprakelijk kan worden gehouden, worden afgeleid dat aansprakelijkheid van een derdegraads bestuurder niet mogelijk is. Ook de omstandigheid dat doorschakeling in geval van een buitenlandse vennootschap wellicht niet mogelijk is, brengt volgens het Gerechtshof niet mee dat de regel dan ook niet voor Nederlandse vennootschappen zou moeten gelden. Ten slotte merkt het Gerechtshof op dat – indien de opvatting van Palland c.s. juist zou zijn – aan bestuurdersaansprakelijkheid op zeer eenvoudige wijze zou kunnen worden ontkomen door twee rechtspersoon-bestuurders te plaatsen tussen de bestuurder-natuurlijke persoon en de te besturen vennootschap, hetgeen niet de bedoeling kan zijn.21
In een aan de Rechtbank Utrecht voorgelegde zaak stelt de gedaagde tweedegraads rechtspersoon-bestuurder zich op het standpunt dat de eiser (een curator) niet ontvankelijk was in zijn vordering. De rechtbank citeert eerst art. 2:11 BW en geeft aan dat de betreffende gedaagde bestuurder is van een rechtspersoon die op zijn beurt zelf bestuurder is. De rechtbank overweegt vervolgens dat de betreffende gedaagde door middel van die constructie eveneens aansprakelijk kan worden gehouden in het geval van een onrechtmatige daad. De rechtbank wijst dan ook het beroep op niet-ontvankelijkheid van de hand.22