Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.2.3
4.3.2.3 Ratio en motivering
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661303:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311.
Vgl. de redactie in V-N 1988/1169, 7.
BNB 1988/148, r.o. 4.2.
BNB 2010/314, r.o. 3.3.3 (onder verwijzing naar BNB 1979/311 en BNB 1988/148); BNB 2010/315, r.o. 3.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 19 januari 2021, nr. 19/00763, V-N 2021/17.24.18, r.o. 4.21. Zie ook HR 14 juni 2000, nr. 35275, BNB 2000/330, waarin r.o. 3.2 verwijst naar BNB 1990/148.
BNB 2022/10, r.o. 4.2.1 en 4.2.3.
Vgl. Hof Amsterdam 17 november 2016, nr. 16/00291, V-N 2017/9.29.20, r.o. 4.4.2 (mijn cursivering): ‘De Belastingdienst moet ongehinderd algemene voorlichting kunnen geven zonder dat dat tot gevolg heeft dat bij onjuiste inlichtingen als hier het geval de Belastingdienst daaraan is gebonden.’)
Geppaart 1984, p. 491-492; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.0 (bijgewerkt tot 12 december 2021) wijst erop dat de Hoge Raad nadrukkelijk voorrang heeft gegeven aan het belang van de fiscus om te worden beschermd tegen de rechtsgevolgen van daarbij verstrekte onjuistheden, zowel bij onjuistheden in de algemene voorlichting als bij onjuistheden in de concrete inlichting (zie over de invloed van BNB 2022/10 in paragraaf 4.3.4). Vgl. Gorissen 2008, p. 81.
Waarom geldt als hoofdregel nee, tenzij? Oftewel, waarom worden de bij de belastingplichtige door voorlichting gewekte verwachtingen als hoofdregel niet beschermd, anders dan bij beleidsregels (paragraaf 4.4) en toezeggingen (paragraaf 4.5)? De Hoge Raad acht hiervoor van belang dat de Belastingdienst zijn voorlichtende taak onbelemmerd moet kunnen uitvoeren. Zo overwoog de Hoge Raad in BNB 1979/311:
‘dat met name indien het gaat om reacties op een verzoek van een belastingplichtige om inlichtingen aangaande de inhoud van wettelijke, dan wel andere door de fiscus in acht te nemen algemene regels, het belang dat de belastingplichtigen erbij hebben dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen ertoe noopt te aanvaarden dat het risico van een onjuiste inlichting in de regel voor rekening van de betrokken belastingplichtige blijft’.1
In latere rechtspraak verruimt de Hoge Raad zijn bewoordingen op dit punt.2 In BNB 1988/148 voegt de Hoge Raad toe dat een onbelemmerde én zo ruim mogelijke vervulling van de voorlichtende taak niet alleen in het belang van belastingplichtigen, maar ook in het belang van deBelastingdienst is:
‘Hiermede is tevens gediend het belang dat zowel de belastingadministratie als de belastingplichtigen erbij hebben dat de administratie haar voorlichtende taak onbelemmerd en zo ruim mogelijk kan vervullen.’3
Recenter benadrukt de Hoge Raad het belang van een onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak voor de Belastingdienst, zoals in BNB 2010/314 is te lezen:
‘Met het oog op het belang dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen, moet worden aanvaard dat onjuiste voorlichting door de fiscus in de regel niet voor diens rekening komt.’4
In BNB 2022/10 herhaalt de Hoge Raad zijn koers uit 1979 met het argument van de onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak en herziet zijn rechtsregel (enkel) ten aanzien van het dispositievereiste (paragraaf 4.3.4) vanwege ‘huidige rechtsopvattingen’ en ‘doeltreffende rechtsbescherming’ (paragraaf 4.3.2.6).5
Uit de jurisprudentie volgt dus dat bij voorlichting het risico op onjuistheden als uitgangspunt niet voor rekening van de Belastingdienst moet komen vanwege het belang van een onbelemmerde en ruime uitvoering van de voorlichtende taak.
Wat de Hoge Raad bedoelt met ‘onbelemmerd’ is niet toegelicht. Het begrip ‘onbelemmerd’ suggereert dat de Belastingdienst anders zou worden gehinderd bij de uitvoering van zijn voorlichtende taak.6 In welk opzicht de taakuitvoering dan zou worden belemmerd blijft impliciet. Zou de Belastingdienst dan minder of minder goede voorlichting kunnen geven? Of zelfs stoppen met voorlichting? Zou het voorlichten van het publiek anders op fatale wijze worden bemoeilijkt?7 Het is nodig om te onderzoeken welke aannames schuilgaan in het argument van de Hoge Raad. Dan kan de houdbaarheid van de aannames en de overtuigingskracht van het argument worden getoetst (paragraaf 4.3.2.6, 4.7, 7.3).